ECLI:NL:RVS:2020:1102
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens verblijf in Griekenland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat zij reeds internationale bescherming in Griekenland had gekregen. De vreemdeling, alleenstaande moeder van twee jonge kinderen, stelde dat zij en haar kinderen bij terugkeer in Griekenland een reëel risico liepen op schending van fundamentele rechten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen reëel risico bestond, met name omdat de kwetsbaarheid van de alleenstaande ouder met jonge kinderen onvoldoende was meegewogen. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Raad van State overwoog dat de omstandigheid van alleenstaand ouderschap met jonge kinderen op zichzelf niet leidt tot bijzondere kwetsbaarheid die een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest rechtvaardigt. Er waren geen bijzondere medische of andere individuele omstandigheden die dat anders maakten. De grief van de staatssecretaris slaagde, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
De Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen over het begrip bijzondere kwetsbaarheid, omdat de jurisprudentie van het Hof van Justitie hierover duidelijk is. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.