ECLI:NL:RVS:2020:1102

Raad van State

Datum uitspraak
22 april 2020
Publicatiedatum
22 april 2020
Zaaknummer
201906458/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
  • E. Steendijk
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 3.106a Vb 2000Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens verblijf in Griekenland

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat zij reeds internationale bescherming in Griekenland had gekregen. De vreemdeling, alleenstaande moeder van twee jonge kinderen, stelde dat zij en haar kinderen bij terugkeer in Griekenland een reëel risico liepen op schending van fundamentele rechten.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen reëel risico bestond, met name omdat de kwetsbaarheid van de alleenstaande ouder met jonge kinderen onvoldoende was meegewogen. De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen dit oordeel.

De Raad van State overwoog dat de omstandigheid van alleenstaand ouderschap met jonge kinderen op zichzelf niet leidt tot bijzondere kwetsbaarheid die een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest rechtvaardigt. Er waren geen bijzondere medische of andere individuele omstandigheden die dat anders maakten. De grief van de staatssecretaris slaagde, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

De Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen over het begrip bijzondere kwetsbaarheid, omdat de jurisprudentie van het Hof van Justitie hierover duidelijk is. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

201906458/1/V3.
Datum uitspraak: 22 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17113 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard omdat zij al in Griekenland internationale bescherming heeft gekregen (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb 2000). De vreemdeling heeft twee dochters, één van vier jaar en één van zes jaar.
2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling en haar dochters bij terugkomst in Griekenland geen reëel risico lopen op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank namelijk ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling en haar dochters niet bijzonder kwetsbaar zijn. Daarbij heeft zij met name meegewogen dat het gaat om een alleenstaande ouder met twee kinderen in de basisschoolleeftijd.
3.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek heeft aangenomen. Dat het gaat om een alleenstaande ouder met minderjarige kinderen is volgens hem onvoldoende om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen.
3.1.    Uit de punten 86, 88 en 93 van het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219, volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkomst in de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen een reëel risico lopen op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest. Uit het arrest volgt ook dat het op zichzelf niet tot schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest leidt als een statushouder in die lidstaat geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat (punt 93). De statushouder loopt dan niet zonder meer een reëel risico om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen (punten 89-91).
3.2.    De staatssecretaris heeft zich, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de vreemdeling een alleenstaande ouder met jonge kinderen in de basisschoolleeftijd is, onvoldoende is om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2020:1087). Die omstandigheid leidt er op zichzelf niet toe dat zij zich niet staande kunnen houden en niet zelfstandig hun rechten kunnen effectueren in Griekenland. Zij lopen niet al daarom het reële risico om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen. De vreemdeling heeft geen bijzondere medische omstandigheden aangevoerd die daar wel toe zouden leiden. Ook op andere wijze is niet gebleken van individuele omstandigheden die dat anders maken (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2385, en 6 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4118). De staatssecretaris heeft daarom deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling en haar kinderen bij terugkomst in Griekenland geen reëel risico lopen op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest.
De grief slaagt.
4.    De vreemdeling heeft in haar schriftelijke uiteenzetting verzocht om prejudiciële vragen te stellen over het begrip bijzondere kwetsbaarheid, zoals door het Hof geformuleerd in onder meer het arrest Ibrahim. Gelet op wat de vreemdeling heeft aangevoerd en wat onder 3.2 is overwogen, zijn de vreemdeling en haar kinderen niet bijzonder kwetsbaar in het licht van die jurisprudentie van het Hof. Er bestaat dus gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag over het betrokken Unierechtelijke begrip moet worden beantwoord.
5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17113;
III.    verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020
371-906.