ECLI:NL:RBDHA:2020:12908
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen BPM-heffing en schending hoorplicht
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) voor drie voertuigen. Zij stelde dat de hoorplicht was geschonden, dat zij zich mocht baseren op ex-rental voertuigen voor waardebepaling, dat er sprake was van een onrechtvaardig verschil in heffingsmodaliteiten, en dat de Co2-uitstootwaardes te hoog waren vastgesteld. Verweerder stelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiseres had afgezien van horen, en dat de bewijslast bij eiseres lag.
De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht weliswaar was geschonden omdat verweerder niet voldoende navraag had gedaan na het niet verschijnen van eiseres bij het hoorgesprek, maar dat dit niet tot nadeel had geleid omdat partijen het eens waren over de feiten. De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres over ex-rentals, bewijslastverdeling, correctiefactoren en Co2-uitstoot, en wees het beroep ongegrond.
Wel stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden, waardoor eiseres recht had op een vergoeding van immateriële schade van €500, waarvan €417 door verweerder en €83 door de Minister werd toegekend. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De rechtbank wees verzoeken om prejudiciële vragen af.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard, met vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan eiseres wegens overschrijding redelijke termijn en schending hoorplicht zonder nadeel.