ECLI:NL:RBDHA:2020:10866
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Breda
- L. van Gijn
- D. Bruinse-Pot
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens verzwegen betrokkenheid bij genocide Rwanda
Eiser werd Nederlander na naturalisatie, maar de IND trok zijn Nederlanderschap in wegens het verzwijgen van betrokkenheid bij de genocide in Rwanda in 1994. De rechtbank beoordeelde of de intrekking een strafrechtelijke maatregel is en concludeerde dat dit niet het geval is, waardoor de 1(F)-systematiek van het Vluchtelingenverdrag als toetsingsmaatstaf juist is.
Het individueel ambtsbericht waarop de IND zich baseert, is zorgvuldig tot stand gekomen en bevat voldoende betrouwbare getuigenverklaringen die ernstige redenen geven om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven genoemd in artikel 1(F). De rechtbank verwierp betogen van eiser over onzorgvuldigheden en politieke en culturele context die de betrouwbaarheid van het ambtsbericht zouden ondermijnen.
Verder oordeelde de rechtbank dat het recht van eiser op een effectieve verdediging niet is geschonden ondanks beperkingen in kennisneming van vertrouwelijke stukken. De intrekking van het Nederlanderschap is evenredig en in redelijkheid genomen, mede gelet op het belang van de staat en het ontbreken van bewijs dat eiser zijn Rwandese nationaliteit heeft verloren.
De rechtbank stelde een dwangsom vast wegens overschrijding van de redelijke termijn en kende eiser een schadevergoeding toe. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van het Nederlanderschap van eiser.