Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
eiser,
1.De procedure
- de dagvaarding van 4 oktober 2017, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 28 maart 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- het proces-verbaal van comparitie van 28 maart 2019, met de daarin genoemde stukken.
2.De feiten
7.De straf en/of de maatregel
3.Het geschil
4.De beoordeling
Inleiding
effective remedy” beschikbaar te stellen om schendingen van dit rechtsbeginsel aan de orde te stellen en te herstellen/compenseren.
) en EHRM 8 juni 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5760 (Sürmeli tegen Duitsland
)). Een op grond van onrechtmatige daad in te stellen afzonderlijke procedure tegen de Staat kan een voldoende effectief rechtsmiddel bieden tot verkrijging van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 (Mifsud tegen Frankrijk
) en EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (Depauw tegen België
). In bestuursrechtelijke procedures bestaan goede redenen om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn te laten plaatsvinden binnen de lopende procedure, met name de reden dat de bestuursrechter zelf beter toegerust is om de redelijkheid van de lengte van die procedure, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, te beoordelen dan de civiele rechter die dit zou moeten doen in een afzonderlijke procedure tegen de Staat. Indien de gestelde termijnoverschrijding echter plaatsvindt in een civiele procedure, is voor een beoordeling daarvan door de civiele rechter niet nodig dat deze in de lopende procedure plaatsvindt. [...]
”
effective remedy’ (artikel 13 EVRM Pro). De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat het onwenselijk is dat iemand die (mogelijk) al te lang op (de uitkomst van) een strafzaak heeft moeten wachten en daaraan spanningen en frustraties heeft overgehouden, pas schadevergoeding van de Staat kan vorderen als die strafzaak is uitgeprocedeerd. Tegelijkertijd ziet de rechtbank zich geconfronteerd met het gegeven dat iedere vervroeging van het moment waarop de civiele rechter zich buigt over een schadevergoedingsvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn ten opzichte van het moment waarop het relevante oordeel van de strafrechter onherroepelijk wordt, een doorkruising oplevert van de oordeelsvorming door de strafrechter die, om de hiervoor genoemde redenen, juist voorrang dient te krijgen. Tegen de achtergrond van dit laatste is de mogelijk lange(re) duur van deze civiele procedure onvermijdelijk en in ieder geval op inhoudelijke gronden te verantwoorden. Daarbij komt dat [eiser] mogelijk in de strafrechtelijk procedure wordt gecompenseerd voor de door hem als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade. Op grond van deze bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval ziet de rechtbank in het afwachten van de uitkomst van de strafzaak van [eiser] geen grond om een (dreigende) schending van het EVRM aan te nemen.