ECLI:NL:RBDHA:2018:15160
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en onrechtmatig inreisverbod voor Turkse vreemdeling
Eiser, een Turkse vreemdeling, ontving een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid van zijn echtgenote (referente) die de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit. Na controle bleek dat de tweede arbeidsovereenkomst van referente was beëindigd kort na de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder trok daarop de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod van twee jaar op.
De rechtbank oordeelt dat eiser en referente niet frauduleus hebben gehandeld, maar wel verzuimd hebben wijzigingen in de situatie door te geven, waardoor verweerder bevoegd was tot intrekking met terugwerkende kracht. Deze intrekking vormt een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van Pro Besluit 1/80, maar is niet onrechtmatig omdat Turkse vreemdelingen geen gunstiger behandeling mogen krijgen dan Unieburgers.
Het opgelegde inreisverbod geldt voor de gehele EU en is een nieuwe beperking die niet bestond op 1 december 1980. Dit is in strijd met Besluit 1/80. Bovendien heeft verweerder het zwaarwegende belang van eiser als internationaal vrachtwagenchauffeur niet meegewogen. De rechtbank vernietigt het besluit tot inreisverbod, verklaart het beroep gegrond voor zover dit betreft het inreisverbod, en veroordeelt verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt gehandhaafd, maar het opgelegde inreisverbod wordt vernietigd wegens strijd met Besluit 1/80.