9.4.Niet gebleken is dat eiser met een aan opzet grenzende mate van nalatigheid heeft verzuimd om informatie te verschaffen over zijn hoofdverblijf gedurende de periode in geding. Dat eiser geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek op 6 februari 2017, is hiervoor niet voldoende. Zoals onder 5.8 is overwogen, betreft die weigering van eiser immers niet de schending van de inlichtingenverplichting die ten grondslag is gelegd aan het opleggen van de boete. Dat betekent dat verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de boete ten onrechte is uitgegaan van grove schuld van eiser.
11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dit de hoogte van de opgelegde boete betreft en zelf in de zaak voorzien. Daartoe wordt als volgt overwogen.
12. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met inachtneming van het feit dat per 1 januari 2017 artikel 18a van de Participatiewet en het Boetebesluit zijn gewijzigd. 13. In overweging 7 heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser van 28 juni 2015 tot 14 oktober 2016 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over die periode als gevolg daarvan niet was vast te stellen. Over deze periode heeft eiser daarom ten onrechte bijstand ontvangen. Gelet hierop, kan eiser niet worden gevolgd voor zover hij betoogt dat hem geen boete kan worden opgelegd omdat de schending van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag.
14. Eiser kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat de schending van de inlichtingenverplichting hem niet verweten kan worden. Zijn stelling dat hij op medische gronden niet in staat was om medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 6 februari 2017 kan hier onbesproken blijven, aangezien zijn weigering om aan dit huisbezoek mee te werken niet van belang is voor de aangenomen schending van de inlichtingenverplichting gedurende de periode in geding. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet of verminderd verweten kan worden dat hij gedurende de periode in geding niet aan verweerder heeft doorgegeven dat hij niet meer op het opgegeven adres verbleef. Bij het bepalen van de hoogte van de boete zal de rechtbank daarom uitgaan van normale verwijtbaarheid van eiser.
15. Ter vaststelling van de draagkracht van eiser gaat de rechtbank uit van een inkomen op bijstandsniveau naar de norm voor een alleenstaande. In dat geval geldt voor de berekening van de op te leggen boete als uitgangspunt dat deze zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene, ingeval van normale verwijtbaarheid, de opgelegde boete over een periode van maximaal twaalf maanden kan voldoen. Hiertoe wordt een fictieve draagkracht gehanteerd die gelijk is aan de voor beslag vatbare ruimte (als regel 10% van de toepasselijke bijstandsnorm). De bijstandsnorm voor alleenstaanden is met ingang van 1 juli 2018 vastgesteld op € 996,56. De hoogte van de boete bedraagt in dat geval (12 x 10% van € 996,56=) € 1195,87. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van eiser. Voor verdergaande matiging bestaat geen grond.
16. De rechtbank zal de hoogte van de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht vaststellen op € 1195,87.
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).