ECLI:NL:RBDHA:2017:8273
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige en oplegging inreisverbod voor Turkse nationaliteit
Eiser, een Turkse onderdaan, vroeg op 19 juni 2015 een verblijfsvergunning regulier aan voor arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd afgewezen omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen volledig en met stukken onderbouwd ondernemingsplan had overgelegd. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd vanwege het niet voldoen aan een eerder opgelegd terugkeerbesluit.
Eiser voerde aan dat hij wel aan de voorwaarden voldeed, dat de documentatievereisten in strijd waren met het Associatierecht en dat de rechtbank niet bevoegd was het inreisverbod te behandelen. De rechtbank oordeelde dat de documentatievereisten terecht werden toegepast en niet in strijd waren met de standstill-bepaling. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank wel bevoegd was het beroep tegen het inreisverbod te behandelen.
Ten aanzien van het inreisverbod stelde de rechtbank dat dit terecht was opgelegd omdat eiser niet aan zijn terugkeerverplichting had voldaan. Het beroep op strijdigheid met het Aanvullend Protocol en de Terugkeerrichtlijn faalde omdat eiser niet als zelfstandige in de zin van de associatieovereenkomst kon worden aangemerkt en het inreisverbod binnen de wettelijke termijn viel.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod zijn ongegrond verklaard.