ECLI:NL:RBDHA:2017:8116

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2017
Publicatiedatum
21 juli 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11898
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:69 AwbArt. 16 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag op grond van Dublin-verordening en nova-beoordeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om zijn herhaalde asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielprocedure. De rechtbank heeft het beroep behandeld en onderzocht of er sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) die een inhoudelijke behandeling van de aanvraag rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing blijft. De aangevoerde rapporten over de Bulgaarse asielprocedure en detentieomstandigheden leiden niet tot een ander oordeel, mede omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Bulgarije zal worden gedetineerd. Ook het enkele voorbeeld van een vriend die mogelijk zonder procedure is uitgezet, is onvoldoende om systemische tekortkomingen aan te tonen.

Daarnaast is het beroep op artikel 16 van Pro de Dublinverordening en het EVRM niet geslaagd, omdat eiser geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank bevestigt dat de eerdere uitspraken en jurisprudentie geen novum vormen en dat de staatssecretaris terecht het besluit tot afwijzing heeft genomen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/11898
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. P.R. Klaver,
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 juni 2017 (het bestreden besluit).
Het beroep is samen met het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 17/11899) ter zitting behandeld op 6 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Yap, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig H. Ahmad, tolk in de taal Koerdisch (Badini), en [vader], de vader van eiser. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 24 oktober 2015 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 10 mei 2016 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 22 juni 2016 (AWB 16/9816) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 mei 2016 vernietigd. Bij besluit van 8 juli 2016 heeft verweerder de aanvraag opnieuw niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 28 juli 2016 (AWB 16/15030) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep daartegen gegrond verklaard, het besluit van 8 juli 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Op 7 juni 2017 heeft eiser opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hem in geval van overdracht aan Bulgarije een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te wachten staat, omdat hij verwacht dat hij direct wordt uitgezet naar Irak. Dit is een vriend van eiser, [vriend], namelijk ook overkomen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij bij zijn vader in Nederland wil blijven wonen.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova). Er is niet gebleken van concrete aanwijzingen dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Dat een vriend van eiser na overdracht aan Bulgarije zou zijn teruggestuurd naar Irak, maakt niet dat in zijn algemeenheid sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 16 van Pro de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij afhankelijk is van zijn vader of dat zijn vader afhankelijk is van hem. Voor een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM is eiser aangewezen op het indienen van een daartoe strekkende aanvraag.
4. Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder zijn asielaanvraag inhoudelijk had moeten behandelen. Eiser verwijst in dit verband naar het artikel “Ne bis in idem-beginsel dient te worden ingeperkt” van Marcelle Reneman van 22 december 2015. Voorts persisteert eiser bij zijn standpunt dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en verwijst daarbij naar rapporten van het Belgrade Centre of Human Rights (‘Safe Passage’ van 13 november 2015), AIDA (Country Report Bulgaria update 2016 van februari 2017), ECRE/ELENA (Research Note, februari 2016), Human Rights Watch (‘Bulgaria: Pushbacks, abuse at borders’ van 20 januari 2016) en Pro Asyl (‘Humiliated, ill-treated and without protection’ van december 2015). Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar wat zijn vriend, van wie hij het V-nummer heeft vermeld, is overkomen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, zal de rechtbank niet het ne bis-beoordelingskader toepassen maar het besluit tot afwijzing van de opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van Pro de Awb toetsen in het licht van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen. De verwijzing naar het artikel van Marcelle Reneman treft in dit verband geen doel. Voor zover eiser met deze verwijzing heeft beoogd te stellen dat verweerder geen toepassing meer kan geven aan artikel 4:6 van Pro de Awb, overweegt de rechtbank als volgt. Eisers eerste asielaanvraag is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, vergaderjaar 2014/15, 34 088, nr. 3) volgt dat toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb voor de hand ligt bij een herhaalde aanvraag na een besluit waarin is bepaald dat een ander land verantwoordelijk is. De andere optie, niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, impliceert immers dat de aanvraag in behandeling is genomen. De beroepsgrond faalt.
6. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nova met betrekking tot het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij uitspraken van 4 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:885 en ECLI:NL:RVS:2017:891) heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij dit oordeel heeft de Afdeling alle rapporten waarnaar eiser heeft verwezen, betrokken, met uitzondering van de update van het Country Report van AIDA van februari 2017. De Afdeling heeft in haar uitspraken de versie van oktober 2015 besproken. Uit de passages van de update van februari 2017 waarnaar eiser verwijst, blijkt dat asielzoekers in Bulgarije pas in de beroepsfase toegang hebben tot rechtsbijstand en dat de omstandigheden in detentiecentra ondermaats zijn. Het eerste punt, het ontbreken van rechtsbijstand tijdens de bestuurlijke fase, werd ook genoemd in de versie van oktober 2015 die de Afdeling bij haar oordeel heeft betrokken. Met betrekking tot de omstandigheden in de detentiecentra stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat eiser na zijn overdracht in Bulgarije gedetineerd zal worden, zodat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
7. Met betrekking tot wat de vriend van eiser zou zijn overkomen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, indien vast zou komen te staan dat hij zonder asielprocedure is uitgezet, één geval niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure. De verwijzing daarnaar kan eiser daarom niet baten.
8. Ten aanzien van de grond dat eiser bij zijn vader in Nederland wil verblijven, overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van 28 juli 2016 is overwogen dat de omstandigheid dat eisers vader thans rechtmatig in Nederland verblijft, geen bijzondere individuele omstandigheid in de zin van artikel 17 van Pro de Dublinverordening is, nu eiser meerderjarig is en niet is gebleken van bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en zijn vader, zodat er geen aanleiding was voor het oordeel dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft in dit kader geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht ten opzichte van zijn vorige asielprocedure. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nova die maken dat verweerder de asielaanvraag van eiser inhoudelijk had moeten behandelen. De enkele verwijzing ter zitting naar de bij zienswijze genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4101) kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat nieuwe jurisprudentie geen novum vormt. Zo heeft de Afdeling in onder meer de uitspraak van 8 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1760) uitdrukkelijk overwogen dat nieuwe jurisprudentie niet kan afdoen aan de gehoudenheid om uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen te volgen. De grond faalt daarom.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: