ECLI:NL:RBDHA:2017:6607
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-tijdig beslissen op aanvraag maatschappelijke opvang
Eiser diende op 10 juli 2015 een aanvraag in voor maatschappelijke opvang en hulp bij de gemeente Amsterdam. Na het uitblijven van een besluit stelde eiser verweerder in gebreke en startte een procedure bij de rechtbank Amsterdam, die verweerder opdroeg binnen twee weken te beslissen. Verweerder kwam pas op 10 maart 2016 met een feitelijke handeling, waarmee hij de aanvraag afwees.
Eiser diende vervolgens op 14 juni 2016 een nieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag van 10 maart 2016. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de brief van 10 juli 2015 als aanvraag moet worden aangemerkt en dat verweerder een dwangsom verschuldigd is wegens te late beslissing. Echter, voor het beroep op het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 10 maart 2016 ontbrak een noodzakelijke ingebrekestelling.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet eerst verweerder in gebreke had gesteld, wat een vereiste is volgens artikel 6:12 Awb Pro. Hierdoor werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank benadrukte dat verweerder wel feitelijk had gehandeld, maar dat bezwaar tegen die feitelijke handeling ontbrak. De procedurekosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingebrekestelling.