ECLI:NL:RBDHA:2017:6518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende persoonlijke vervolgingsgrond en medische situatie
Eiser, een Iraakse soenniet uit Bagdad, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris werd afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat terugkeer naar Irak vanwege de veiligheidssituatie in Bagdad en zijn soennitische achtergrond niet mogelijk was, mede vanwege zijn slechte gezondheid.
De rechtbank oordeelde dat de veiligheidssituatie in Bagdad niet uitzonderlijk was zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet en dat er geen sprake was van systematische onmenselijke behandeling van soennieten. Daarnaast werd het beroep op artikel 3 EVRM Pro vanwege medische redenen verworpen, omdat het Bureau Medische Advisering had vastgesteld dat de ziekte van eiser niet ongeneeslijk of levensbedreigend was en dat adequate behandeling in Irak beschikbaar was.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht het primaire besluit had genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.