Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
4.Bewijsoverwegingen
Verdachte wordt verweten dat hij in Nederland heeft verbleven terwijl er tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd.
evidentestrijd met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht (zie Hoge Raad 13 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616). Naar het oordeel van de rechtbank dient hierbij te worden gedacht aan kennelijke misslagen, zoals het geval dat een beslissing gebaseerd blijkt te zijn op een evident onjuiste feitelijke grondslag. Aan een inhoudelijke toets waarbij de motivering van het inreisverbod op zijn juridische merites wordt beoordeeld, komt de strafrechter in zo’n geval dan ook niet toe, zelfs niet als de bestuursrechter zich in zijn uitspraak niet over
alledoor de vreemdeling bij de strafrechter aangevoerde argumenten concreet heeft uitgelaten.
evidentin strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht.
evidentestrijd met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht, zodat de grondslag van het inreisverbod rechtmatig moet worden geoordeeld. De rechtbank komt mitsdien niet toe aan de beoordeling van het door de officier van justitie ingenomen standpunt dat er in elk geval een inreisverbod voor de duur van vijf jaar geldt, ingeval een duur van tien jaar niet rechtmatig moet worden geoordeeld.
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De strafoplegging
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
2 (TWEE) MAANDEN.