ECLI:NL:RBDHA:2016:5079
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod op uitlevering aan Turkije wegens onvoldoende risico op schending fundamentele rechten
Eiser, met de Nederlandse nationaliteit, werd op verzoek van Turkse autoriteiten gezocht voor uitlevering wegens verdenking van moord en diefstal met geweld. Na een eerdere toelaatbaarverklaring en ministeriële toestemming tot uitlevering, vordert eiser in kort geding een verbod op uitlevering, stellende dat het bewijs minimaal is en dat uitlevering leidt tot schending van zijn rechten onder het EVRM, met name artikelen 5, 6 en 8.
De rechtbank stelt vast dat de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister betekent dat toetsing van fundamentele rechten bij uitlevering aan de Minister toekomt, maar dat de burgerlijke rechter het ministeriële besluit volledig kan toetsen. Eiser bracht geen nieuwe feiten aan die de eerdere toelaatbaarverklaring zouden ondermijnen.
De rechtbank overweegt dat Turkije het EVRM heeft geratificeerd en het risico op flagrante schendingen onvoldoende is onderbouwd. Ook het argument van een ontoelaatbare inbreuk op het recht op familieleven wordt verworpen, omdat de moeder van de kinderen voor hen kan zorgen en contact na strafuitzetting in Nederland mogelijk is.
De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verbod op uitlevering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.