Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2] ,
[gedaagde 3] ,
[gedaagde 4] ,
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een kort geding waarin de Staat (Belastingdienst) vordert dat de erfgenamen van wijlen de heer X worden verplicht om informatie te verstrekken over diens buitenlandse bankrekening bij Kredietbank Luxembourg (KB Lux) vanaf 31 januari 1994 tot heden. De Belastingdienst baseert haar vordering op eerdere identificaties van wijlen de heer X als rekeninghouder en eerdere jurisprudentie die deze identificatie bevestigt. De erfgenamen ontkennen het bestaan van een dergelijke rekening en stellen dat zij niet beschikken over de gevraagde informatie.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang van de Staat en dat de identificatie van wijlen de heer X als rekeninghouder door de Belastingdienst voldoende aannemelijk is gemaakt, mede op basis van een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag. De erfgenamen zijn gehouden om alle relevante gegevens en inlichtingen te verstrekken die zij bezitten of redelijkerwijs kunnen verkrijgen, waaronder ook gegevens over coderekeningen die niet op naam staan.
De rechtbank wijst de vordering toe voor zover deze betrekking heeft op de KB Lux-rekening, maar wijst de vordering af voor zover deze ziet op andere buitenlandse bankrekeningen, omdat daarvoor geen concrete aanwijzingen zijn. Tevens wordt een dwangsom opgelegd van €5.000 per dag per gedaagde tot een maximum van €250.000 om naleving af te dwingen. Er wordt een restrictie opgelegd dat wilsafhankelijk materiaal uitsluitend mag worden gebruikt voor belastingheffing. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Erfgenamen worden veroordeeld tot het verstrekken van gegevens over de buitenlandse bankrekening bij KB Lux binnen 30 dagen onder dreiging van een dwangsom.