Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2015 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [plaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Article 3 Price
Whereas:
Rechtbank Den Haag
Eiser participeerde in een scheepvaartfonds dat op 30 december 2010 de economische eigendom van een schip kocht. De aankoop werd deels gefinancierd door een lening van de verkoper aan het fonds, die het bedrag direct terugbetaalde. Eiser bracht zijn participatie in 2011 in zijn BV in. Bij de aanslag IB/PVV 2010 werd de willekeurige afschrijving op de participatie niet geaccepteerd en werd de beschikking geruisloze omzetting ingetrokken.
De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst de intrekking niet mocht herroepen omdat het verweer ondubbelzinnig was prijsgegeven en het e-mailbericht waarop de herroeping was gebaseerd reeds bekend was bij de Belastingdienst. Ook oordeelde de rechtbank dat de financiering met een lening van de verkoper kwalificeert als betaling in de zin van artikel 3.35 Wet IB 2001, omdat de civielrechtelijke betekenis van betalen leidend is.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en stelde de aanslag vast overeenkomstig de aangifte. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend. Het oordeel bevestigt dat de willekeurige afschrijving terecht is toegepast en dat de Belastingdienst niet onterecht de intrekking mocht herroepen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag overeenkomstig de aangifte, waarbij de intrekking van de beschikking niet mag worden herroepen en de willekeurige afschrijving terecht is toegekend.