Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 9 oktober 2014 over de veiligheidssituatie in Libië vanaf 17 september 2014, met bijlagen;
- informatie over de veiligheidssituatie in Libië van september 2014 van de Helpdesk Vluchtelingenwerk met bijlagen, waaronder een verwijzing naar het rapport van de United Nations Support Mission in Libya (UNSMIL) van 4 september 2014 en een bericht van Human Rights Watch van 8 september 2014.
- het negatief reisadvies van het Ministerie van Buitenlande Zaken, via http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/reisadviezen/libie;
- het rapport “de UNHCR Position on returns to Libya” van 12 november 2014;
- uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2014 (AWB 14/23174).
in particular, the two largest cities Tripoli and Benghazi have been embroiled in internal armed conflicts with dire effects on civilians and the country’s infrastructure”. Verder stelt Human Rights Watch op 8 september 2014 dat in de gevechten om controle over Tripoli aanvallen op burgers worden gepleegd die soms als oorlogsmisdaden kunnen worden gezien. Uit het recente rapport van de UNHCR van 12 november 2014 blijkt voorts dat het hoofd van UNSMIL op 15 september 2014 heeft gerapporteerd dat er een onophoudelijke campagne van willekeurige beschietingen plaatsvindt op het Warshafana gebied (een buitenwijk van Tripoli), waarbij de burgerbevolking wordt getroffen. Deze berichten wijzen erop dat de strijdende partijen methoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten dan wel dat zij burgers als doel nemen, wat een belangrijk criterium is waaraan moet worden getoetst bij de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter, anders dan verweerder, van oordeel is dat uit het UNSMIL-rapport niet zonder meer kan worden opgemaakt dat slechts sprake is van enkele tientallen burgerslachtoffers in Tripoli. In genoemd rapport is immers vermeld dat geen volledig beeld wordt geschetst van het geweld maar dat alleen enkele belangrijke geweldsincidenten worden benadrukt. Ook is daarin vermeld dat sinds eind juli 2014 geen berekeningen meer bekend zijn gemaakt van het aantal slachtoffers en dat de actuele situatie wordt onderschat. De stelling van verweerder dat ook indien sprake zou zijn van meer slachtoffers dan de gerapporteerde aantallen, er nog geen uitzonderlijke geweldssituatie is, kan de voorzieningenrechter zonder nadere motivering - die niet is gegeven - niet volgen, gelet op wat overigens in deze rechtsoverweging wordt overwogen. Ook op het punt van het aantal burgerslachtoffers, eveneens een belangrijk criterium bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, roept het standpunt van verweerder dus vragen op.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de situatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli, sinds het rapport van UNSMIL van 4 september 2014 is verbeterd. Zo is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend met berichtgeving van 10 oktober 2014 op de openbare site van de NOS waarin is vermeld dat volgens de UNHCR de gevechten rond Tripoli zich uitbreiden en dat ongeveer 100.000 mensen in de voorafgaande weken op de vlucht zijn geslagen voor het geweld rond Tripoli. Dat de situatie in heel Libië nog immer zeer ernstig is wordt onderstreept in genoemd rapport van 12 november 2014 van de UNHCR waarin staten zelfs worden opgeroepen uitzettingen naar Libië op te schorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie is verbeterd.
Naast het vorenstaande speelt in het oordeel van de voorzieningenrechter nog het volgende een rol. De voorzieningenrechter heeft via de openbare bron Vluchtweb ambtshalve kennis genomen van de brief van verweerder van 15 augustus 2014 over de situatie in Libië. Aan deze brief is ook gerefereerd in de door verzoeker overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. In deze brief wordt het volgende gemeld:
“de situatie in Libië is op dit moment zorgelijk. Echter, uit de recente openbare bronnen blijkt dat de gevechten zich voornamelijk beperken tot Tripoli en Benghazi. Er is dus geen situatie van willekeurig geweld in heel Libië (15c) en er kan worden verondersteld dat vreemdelingen zich buiten Benghazi en Tripoli veilig kunnen vestigen. Libië heeft meerdere vliegvelden, waardoor de vreemdeling in een ander gebied het land kan inreizen.”Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder zich, in ieder geval in augustus 2014, op het standpunt heeft gesteld dat het voor vreemdelingen te gevaarlijk was terug te keren naar Tripoli. Het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat uit deze brief blijkt dat de situatie in Tripoli en Benghazi slecht is, maar niet dat er sprake is van een uitzonderlijke geweldssituatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen. Uit de brief blijkt immers dat verweerder zich op het standpunt stelt dat iedere vreemdeling zich buiten Benghazi en Tripoli veilig kan vestigen, wat impliceert dat vreemdelingen zich in Benghazi en Tripoli niet kunnen vestigen en dus niet naar deze steden kunnen terugkeren. Verweerder onderstreept dit in de brief door op te merken dat Libië meerdere vliegvelden heeft en de vreemdeling kan terugkeren via een ander vliegveld, om te voorkomen dat hij naar Benghazi of Tripoli moet reizen. Nu niet is gebleken dat de situatie in Tripoli sinds augustus 2014 is verbeterd en door verweerder ook niet is gemotiveerd dat dit het geval is, terwijl UNHCR in het rapport van 12 november 2014 juist heeft bevestigd dat de situatie in heel Libië en in het bijzonder in Tripoli en Benghazi nog steeds zeer slecht is, acht de voorzieningenrechter het onvoldoende inzichtelijk waarom verweerder zich thans op het standpunt stelt dat er in Tripoli geen uitzonderlijke geweldssituatie is als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en verzoeker daarom zou kunnen terugkeren naar Tripoli.