ECLI:NL:RVS:2010:BM2310
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang bij weigering verblijfsvergunning asiel naast verblijfsvergunning regulier
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris op 6 januari 2010 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit niet-ontvankelijk omdat zij reeds in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier. De vreemdeling stelde dat zij wel belang had bij toetsing van haar asielaanvraag om te voorkomen dat zij bij een eventuele intrekking van de verblijfsvergunning regulier opnieuw nieuw gebleken feiten moest aanvoeren.
De Raad van State overwoog dat volgens vaste jurisprudentie een besluit van gelijke strekking als een eerder besluit niet opnieuw kan worden getoetst, tenzij er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Aangezien de vreemdeling op het moment van de asielaanvraag een verblijfsvergunning regulier bezat, had de staatssecretaris de asielaanvraag krachtens artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 moeten afwijzen. Hierdoor had de vreemdeling geen belang bij toetsing van het besluit op haar asielaanvraag.
De Raad van State bevestigde dat toetsing aan de weigering van een asielaanvraag pas mogelijk is indien de verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken of de verlenging daarvan wordt afgewezen, omdat dit een nieuw gebleken feit vormt. De vreemdeling's vrees dat zij daardoor in de praktijk onoverkomelijke problemen zou ondervinden, werd niet gevolgd. Het hoger beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep bevestigd.