ECLI:NL:RVS:2011:BU5024
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens bekering tot christendom
De vreemdeling had meerdere asielaanvragen ingediend, waarbij hij zijn bekering tot het christendom als asielmotief aanvoerde. De rechtbank had de bekering als nieuw feit beoordeeld ten opzichte van de eerste aanvraag, maar had onvoldoende rekening gehouden met eerdere aanvragen en beslissingen. De minister stelde dat de bekering reeds bij eerdere aanvragen bekend was en daarom niet als nieuw feit kon gelden.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 3 september 2009 als een eerste afwijzing had behandeld zonder de eerdere aanvragen mee te wegen. Jurisprudentie bepaalt dat bij een nieuw besluit van gelijke strekking alleen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden een hernieuwde toetsing rechtvaardigen.
De aangevoerde documenten na het derde besluit bevatten geen feiten van zodanig gewicht dat zij aanleiding geven tot een ander oordeel over het risico voor christenen in Iran. Er is geen sprake van relevante wijziging van het recht of bijzondere omstandigheden die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.