ECLI:NL:RBBRE:2011:BT1922
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslagen inkomstenbelasting wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2004 met toepassing van de twaalfjaarstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De FIOD-ECD beschikte echter al in 2006 over de benodigde gegevens en stelde toen een proces-verbaal op. De inspecteur ontving dit proces-verbaal pas in januari 2010, waardoor de navorderingsaanslagen pas in april 2010 werden opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat het verzuim van de FIOD-ECD om het proces-verbaal direct aan de inspecteur te sturen een verzuim van de belastingautoriteiten is. Hierdoor was het tijdsverloop van ruim drie jaar langer dan noodzakelijk voor het opleggen van de navorderingsaanslagen. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals geformuleerd in het arrest van het Hof van Justitie van de EU en bevestigd door de Hoge Raad.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat het tijdsverloop niet is gebruikt voor het verkrijgen van benodigde inlichtingen of het voorbereiden van de aanslagen. Daarom worden de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente vernietigd. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting zijn vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn door verzuim van de FIOD-ECD.