ECLI:NL:RBARN:2012:BV3134
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bovenmatige vertrekvergoeding en toepassing aandelenrecht bij loonbelasting
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of een in 2008 onvoorwaardelijk geworden recht op levering van aandelen behoort tot de loonbestanddelen die meetellen bij de beoordeling van een bovenmatige vertrekvergoeding in 2009. Eiseres betwistte de naheffingsaanslag loonbelasting die verweerder had opgelegd over het tijdvak juli 2009, waarbij het voordeel uit het aandelenrecht werd betrokken.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 32bb van de Wet LB het totaal van het in het jaar van vertrek en het voorafgaande jaar genoten fiscale loon bepalend is voor de vertrekvergoeding. De wetgever heeft bewust gekozen voor een kwantitatieve benadering zonder tegenbewijsregeling om ontgaan van de regeling te voorkomen. Het voordeel uit het aandelenrecht in 2008 wordt daarom terecht meegerekend.
Eiseres voerde verder aan dat het zevende lid van artikel 32bb, dat gunstige behandeling van optierechten regelt, ook op aandelenrechten van toepassing zou moeten zijn. De rechtbank wijst dit af omdat de regeling voor optierechten anders is vormgegeven en de wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen aandelenrechten en optierechten.
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de werkwijze van verweerder om voor bepaalde loonbestanddelen papieren aangifte te vorderen niet in strijd is met artikel 8 Awr Pro en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat eiseres niet tijdig had betaald. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag loonbelasting waarbij het voordeel uit het aandelenrecht wordt meegerekend bij de vertrekvergoeding.