ECLI:NL:RBARN:2009:BK3097
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.I. van Amsterdam
- M.C.G.J. van Well
- I. Linssen
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling renteloze lening aan directeur-grootaandeelhouder als loon of uitdeling
In deze zaak stond de fiscale behandeling van een renteloze lening van een BV aan haar directeur-grootaandeelhouder (dga) centraal. De rechtbank moest beoordelen of het rentevoordeel dat de dga geniet als loon of als een verkapte uitdeling van winst moet worden gezien. Daarnaast werd de hoogte van een zakelijke rente voor een tweede lening betwist en de vraag of sprake was van een informele kapitaalstorting.
De rechtbank stelde vast dat de rente voor de lening I op 3,8% moet worden vastgesteld, bestaande uit de euribor rente van 2,3% plus een risico-opslag van 1,5%. De rechtbank volgde de stelling van eiseres dat het rentevoordeel als loon moet worden aangemerkt, omdat het verband houdt met de arbeidsovereenkomst en niet met de aandeelhoudersrelatie. Verweerder slaagde er niet in aannemelijk te maken dat sprake was van een verkapte uitdeling.
Met betrekking tot lening II werd de winstcorrectie verminderd tot het rentevoordeel over een half jaar tegen 3,8%. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat sprake was van een informele kapitaalstorting, omdat het rentevoordeel een zakelijke beloning is en niet leidt tot een vermogensverlies in de aandeelhouderssfeer. De aanslag werd verminderd tot een belastbaar bedrag van € 228.447 en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank matigde de aanslag vennootschapsbelasting tot een belastbaar bedrag van € 228.447 en oordeelde dat het rentevoordeel als loon moet worden aangemerkt.