Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5991

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
13-040966-26 (einduitspraak)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon ondanks detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten voor de overlevering van een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. In een eerdere tussenuitspraak van 22 april 2026 was geoordeeld dat er een individueel reëel gevaar bestond voor schending van grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis van Lille-Annoeulin.

Na aanvullende informatie van de Franse autoriteiten bleek dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk in de gevangenis van Maubeuge zal worden geplaatst, waar hij een individuele cel van 9 m2 op een isolatieafdeling zal krijgen. De rechtbank concludeerde dat deze detentieomstandigheden voldoende persoonlijke leefruimte bieden en het individuele reële gevaar wegnemen.

De raadsman voerde aan dat plaatsing in een isoleercel onaanvaardbaar is en een schending van grondrechten kan vormen, maar de rechtbank vond geen objectieve gegevens die wijzen op een isolatieregime met onrechtmatige beperkingen. De rechtbank oordeelde dat artikel 11 van Pro de Overleveringswet (OLW) de overlevering niet in de weg staat.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar Frankrijk toe omdat het individuele reële gevaar door de nieuwe detentiegaranties is weggenomen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-040966-26
Datum uitspraak: 11 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 26 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2026 door de Openbare aanklager bij de Rechtbank van Duinkerken, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Algerije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 8 april 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB aangevangen, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, en een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De tussenuitspraak van 22 april 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in de detentie-instelling
Lille-Annoeulin. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW zal de rechtbank op de volgende zitting moeten nagaan of binnen een redelijke termijn een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 28 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, en een tolk in de Franse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse en Algerijnse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 22 april 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3) en de strafbaarheid van het feit (paragraaf 4). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in Frankrijk

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 5 van de tussenuitspraak. De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
Verder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak aan de hand van de aanvullende informatie heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in
Lille-Annoeulin. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties konden geven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken in een meerpersoonscel.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 4 mei 2026 aanvullende vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 10 mei 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(...) [opgeëiste persoon] would,a priori, be assigned to the MAUBEUGE prisonwithin the jurisdiction of the Cour d’appel de Douai, whose occupancy rate was, on 1 March 2026, 133.5% according to the French standards for calculating the occupancy rate of prison establishments.
[opgeëiste persoon] will be held in solitary confinement in this penitentiary institution in order to ensure the individual's confinement and to comply with the guaranteed requests relating to his/her available personal space.
The MAUBEUGE prison centre has an isolation ward, in which prisoners with special profiles or needs, such as [opgeëiste persoon] , are held. The decision on incarceration in solitary confinement may be taken by the investigating judge or by the prison administration and the situation is reassessed at regular intervals, depending on the behaviour of the detainee.
The isolation area has 6 individual cells of 9 square metres each. [opgeëiste persoon] will be incarcerated alone in this cell.
In addition, the decision to incarcerate [opgeëiste persoon] in solitary confinement guarantees his individual confinement, in a cell of 9m2. All of these elements appear to guarantee decent detention conditions. (…)”
4.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 10 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon nu waarschijnlijk in de gevangenis van
Maubeugewordt geplaatst. Daarbij hebben de Franse autoriteiten laten weten dat de onderzoeksrechter kan bevelen dat de opgeëiste persoon in een isoleercel in
solitary confinementwordt geplaatst waarbij hij een persoonlijke leefruimte van 9 m2, exclusief sanitair, tot zijn beschikking zal hebben. Hieruit volgt dat er nog geen zekerheid bestaat over de daadwerkelijke plaatsing van de opgeëiste persoon in een isoleercel. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, indien (langdurige) plaatsing in een isoleercel in
solitary confinementwordt bevolen, dit mogelijk nog steeds leidt tot schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. Hoewel de opgeëiste persoon in dat geval 9 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, tot zijn beschikking heeft, wordt hij namelijk in
solitary confinementgeplaatst, wat volgens de raadsman onaanvaardbaar is. Hij heeft aangevoerd dat plaatsing in een isoleercel doorgaans alleen bedoeld is voor bijzondere gevallen, bijvoorbeeld wanneer de veiligheid van medegedetineerden of gevangenispersoneel in het geding is. Daarvan is hier echter geen sprake. Nu in de aanvullende informatie niets wordt gezegd over andere beschikbare cellen in de gevangenis van
Maubeuge,kan de overlevering niet worden toegestaan.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie heeft er een wijziging in omstandigheden plaatsgevonden en staat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg. De verstrekte detentiegarantie heeft het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weggenomen. Dat de Franse autoriteiten nu een andersluidende detentiegarantie hebben verstrekt, hangt samen met het feit dat in recente andere overleveringszaken is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in een eenpersoonscel op een isolatieafdeling zou worden geplaatst, waarbij hij voldoende vierkante meters persoonlijke leefruimte tot zijn beschikking zou hebben. In die zaken is de overlevering vervolgens toegestaan. [4] Het openbaar ministerie heeft daarom bij de Franse autoriteiten geïnformeerd of in de onderhavige zaak eveneens eenzelfde garantie kon worden verstrekt. Uit de aanvullende informatie van 10 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon ook in de gevangenis van
Maubeugein een eenpersoonscel op een isolatieafdeling zal worden geplaatst, waarbij hij een persoonlijke leefruimte van 9 m2, exclusief sanitaire voorzieningen tot zijn beschikking zal hebben. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de aanvullende informatie zo moet worden begrepen dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in een individuele cel zal worden geplaatst. Hier bestaat geen onzekerheid over.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of zich binnen een redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie alsnog ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Hiervoor is het volgende van belang.
De rechtbank overweegt allereerst dat de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 10 mei 2026 heeft aangegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering niet langer zal worden geplaatst in de detentie-instelling van
Lille-Annoeulin, maar naar alle waarschijnlijkheid in de gevangenis van
Maubeuge, waar de actuele bezettingsgraad 133,5 % bedraagt. Uit de aanvullende informatie volgt verder dat de opgeëiste persoon “
will be held in solitary confinement in this penitentiary institution in order to ensure the individual's confinement and to comply with the guaranteed requests relating to his/her available personal space”.Daarnaast is vermeld dat de isolatieafdeling beschikt over zes individuele cellen van elk 9 m2, exclusief sanitaire voorzieningen, waarin de opgeëiste persoon alleen zal worden opgesloten. Hieruit leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon in een individuele cel zal worden geplaatst, waarbij hij zal beschikken over een persoonlijke leefruimte van meer dan 4 m2, exclusief sanitaire voorzieningen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat met de hierboven onder 4.1. weergegeven informatie het vastgestelde individuele reële gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
Het verweer van de raadsman dat plaatsing van de opgeëiste persoon in
solitary confinementaan overlevering in de weg staat, treft geen doel. De rechtbank leest in de aanvullende informatie van 10 mei 2026 niet meer dan dat de opgeëiste persoon alleen in een cel zal worden geplaatst die deel uitmaakt van een isolatieafdeling en een oppervlakte van 9 m2 heeft,
opdatwordt gewaarborgd dat hij over voldoende persoonlijke leefruimte beschikt. De rechtbank kan uit de aanvullende informatie niet afleiden dat de opgeëiste persoon naast plaatsing in een isolatiecel ook in een isolatieregime zal worden geplaatst, nog daargelaten dat er geen objectieve gegevens voorhanden zijn waaruit een algemeen gevaar kan worden afgeleid dat gedetineerden in Frankrijk, zonder objectieve gronden en zonder rechterlijke waarborgen, worden onderworpen aan een isolatieregime en daaraan verbonden beperkingen wat betreft contact met medegedetineerden en deelname aan activiteiten. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere vergelijkbare uitspraken waarin met betrekking tot plaatsing in een isolatiecel tot eenzelfde slotsom is gekomen. [5] Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan de overlevering in de weg.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Openbare aanklager bij de Rechtbank van Duinkerken, Frankrijk, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 22 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4159.
4.Rb. Amsterdam 15 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3797, Rb. Amsterdam 28 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4187 en Rb. Amsterdam.30 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4270.
5.Rb. Amsterdam 15 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3797, Rb. Amsterdam 28 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4187 en Rb. Amsterdam.30 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4270