Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4270

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13-018785-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Frankrijk ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 april 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Frankrijk voor een opgeëiste persoon verdacht van moord, zware mishandeling en andere strafbare feiten. De rechtbank beoordeelde of de detentieomstandigheden in Frankrijk een beletsel vormden voor overlevering, mede gezien eerdere uitspraken over overbevolking in Franse gevangenissen.

De Franse autoriteiten gaven garanties dat de opgeëiste persoon in een eenpersoonscel van 9 tot 10 m2 zal worden geplaatst in de gevangenis van Fleury-Mérogis, met toegang tot activiteiten en bezoek. De verdediging verzocht om aanhouding van het onderzoek vanwege onzekerheid over de feitelijke detentieomstandigheden op het moment van overlevering, die mogelijk pas over jaren zal plaatsvinden.

De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van detentieomstandigheden plaatsvindt op het moment van de beslissing op het EAB en niet bij feitelijke overlevering. De verstrekte individuele garantie neemt het algemene gevaar van onmenselijke behandeling weg. De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding af en besloot de overlevering toe te staan, met voorrang voor een Spaans EAB vanwege het grotere onderzoeksbelang in Spanje.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toe en bepaalt voorrang voor het Spaanse EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-018785-26
Datum uitspraak: 30 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2026 door de Openbaar Aanklager bij de Rechtbank van Pontoise, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. T.E. Korff en E.M.C. van Nielen, beiden advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tunesische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van Pontoise van 9 januari 2026, met parketnummer 22234000178 en onderzoeksnummer JI CABJI1 2200022.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst één strafbaar feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de andere twee feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer - kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigen, wegmaken, verbergen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken;
diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.Artikel 11 OLW Pro: Franse detentieomstandigheden

InleidingIn twee uitspraken van 5 augustus 2025 [4] heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke ruimte van minder dan 3 m2. Verdachten en personen met een (rest)straf van niet meer dan twee jaren worden in een Huis van Bewaring gedetineerd.
Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn.
Bij brief van 17 maart 2026 heeft het Directoraat Strafrechtelijke Zaken en Gratie, afdeling Gespecialiseerd Strafrecht, Bureau Internationale Strafrechtelijke Bijstand - voor zover relevant - de volgende informatie verstrekt:

(…)
Gezien de bovengenoemde criteria kan het parket van PONTOISE aangeven dat de heer [de opgeëiste persoon] , a priori, in aanmerking komen voor plaatsing in de gevangenis van FLEURY-MEROGIS in het rechtsgebied van het hof van beroep van PARIJS, waarvan de bezettingsgraad op 1 maart 2026 174,5 % bedroeg volgens de Franse normen voor de berekening van de bezettingsgraad van penitentiaire inrichtingen.
(…)

1.De detentieomstandigheden van de heer [de opgeëiste persoon]

1.1.
De specifieke kenmerken van de Franse regelgeving die van toepassing is op de berekening van de opvangcapaciteit in Franse penitentiaire inrichtingen.
Op1 maart 2026had de gevangenis van FLEURY-MEROGIS een totale bezettingsgraad van 174,5 %, wat betekent dat gedetineerden in cellen zijn ondergebracht die hun theoretische capaciteit overschrijden.
(…)
In de gevangenis vanFLEURY-MEROGIS, net als in alle Franse gevangenissen, wordt deberekening van de capaciteit van de gevangenissenuitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van de circulaire van 16 maart 1988 en de nota van 18 maart 2024 (…).
(…)
Deoperationele capaciteitwordt berekend in plaatsen op basis van de vloeroppervlakte van de ruimte. De oppervlakte van de sanitaire ruimte wordt dus meegeteld in de oppervlakte van de ruimte; deze is afhankelijk van technische beperkingen en varieert tussen 1,4 en 1,8 m2.De Franse normen bepalen dat:
-
cellen met een oppervlakte van minder dan 11 m2 worden beschouwd als eenpersoonscellen;
(…)
(…)is het voor de Franse autoriteiten niet mogelijk om de gevraagde garanties te geven over de minimale oppervlakte waarover de gedetineerde zal beschikken bij zijn overlevering aan de Franse gerechtelijke autoriteiten, aangezien de bezettingsgraad van de penitentiaire inrichtingen, zoals gedefinieerd volgens de normen van de Franse regelgeving, per definitie variabel is en afhankelijk is van de datum van de overlevering van de gezochte persoon(…).
1.2
De concrete detentieomstandigheden van de heer [de opgeëiste persoon] in de huisarrestgevangenis van Fleury-Merogis
De penitentiaire inrichting van FLEURY-MEROGIS bestaat uit een afdeling „huisarrestgevangenis voor mannen” (MAH), bestemd voor personen in afwachting van hun vonnis, zoals het geval is bijde heer [de opgeëiste persoon]. De afdeling “mannenhuis van voorlopige hechtenis” beschikt over:
-
2026 cellen met een oppervlakte van 9 tot 10 m² en een theoretische capaciteit van 1 plaats, (...)
-
224 cellen met een oppervlakte van 9 tot 10 m2 en een theoretische capaciteit van 1 plaats voor de nieuwkomersafdeling.
In de "mannengevangenis" zou[de opgeëiste persoon]in isolatie worden geplaatst, dus alleen in een cel met een oppervlakte van 9 tot 10 m2, met een theoretische capaciteit van 1 persoon.
Elke cel heeft een raam dat open kan, zodat de lucht kan worden ververst en de gedetineerden bij natuurlijk licht kunnen lezen en werken, een afgescheiden sanitairruimte met een toilet, een wastafel met koud en warm water en een verwarmingssysteem. De verlichting wordt verzorgd door een plafondlamp, die wordt bediend met een schakelaar in de cel. Elke gedetineerde beschikt over een bed.
(…)
Toegang tot culturele, sportieve, sociale, re-integratie-, opleidings- of werkactiviteiten gebeurt op verzoek van de gedetineerde en na bevestiging van zijn of haar inschrijving op een lijst.
(…)
Op voorwaarde dat ze zich voor werk hebben ingeschreven, kunnen gedetineerden ook betaald werk verrichten in de werkplaatsen van de instelling of in de algemene dienst.
(…)
Zo zal de heer [de opgeëiste persoon] , indien hij dat wenst, toegang hebben tot culturele en sportieve activiteiten, tot bezoekuren in een daarvoor bestemde ruimte, tot de nodige zorg om rekening te houden met zijn eventuele gezondheidsproblemen, allemaal criteria die eenvoldoende bewegingsvrijheid en een verblijfstijd van gedetineerden buiten hun cel garanderen die verenigbaar is met fatsoenlijke detentieomstandigheden.
Op 23 maart 2026 heeft het IRC via Eurojust de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

Did we understand correctly that Mr [de opgeëiste persoon] will be placed in isolation and will therefore stay in his cell alone, which means that he will have 9-10 m2 personal space at his disposal?
Op 31 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit via Eurojust het volgende antwoord gegeven:

I hereby confirm, for the attention of Dutch authorities, that Mr [de opgeëiste persoon] will be held in a single cell and will therefore have 9-10m2 personal space at his disposal.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden voor onbepaalde tijd, omdat de rechtbank op dit moment geen afgewogen oordeel kan nemen over het gevaar van een onmenselijke behandeling van de opgeëiste persoon in Franse detentie, tot het moment dat er zicht is op de feitelijke overlevering aan Frankrijk. De opgeëiste persoon bevindt zich namelijk in voorlopige hechtenis in een Nederlandse strafzaak. De uitspraak in eerste aanleg wordt in deze zaak op zijn vroegst op 21 december 2026 verwacht. Daarnaast heeft deze rechtbank in een eerder overleveringsverzoek uit Frankrijk met het parketnummer
13-202919-24 van 18 september 2024 ten aanzien van de opgeëiste persoon geoordeeld dat voorrang dient te worden gegeven aan een vervolgings-EAB uit Spanje. In Spanje is nog geen zicht op een inhoudelijke behandeling. Daarom zal het minimaal twee tot drie jaren duren voordat de opgeëiste persoon overgeleverd zal worden aan Frankrijk. Aangezien de feitelijke overlevering naar Frankrijk nog lang niet aan de orde is, kan niet met zekerheid worden vastgesteld waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en onder welke omstandigheden. [5] De beoordeling van de detentieomstandigheden door de rechtbank dient te geschieden op basis van de concrete omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden op het moment waarop hij daadwerkelijk wordt overgeleverd. [6] Op basis van de thans verstrekte informatie uit Frankrijk kan de rechtbank geen ‘
detailed and up-to-date assessment’ maken van de detentieomstandigheden waaronder de opgeëiste persoon in de toekomst gedetineerd zal worden in een Frans Huis van Bewaring. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel zal worden gedetineerd. Dit is immers afhankelijk van variabele omstandigheden zoals de bezettingsgraad, maar ook het op het moment van de feitelijke overlevering vereiste beveiligingsniveau van de opgeëiste persoon. Daarbij is verder van belang dat er geen rechtsmiddel openstaat tegen de uitspraak van de rechtbank, waardoor geen nieuwe toetsing van artikel 11 OLW Pro kan plaatsvinden.
Zo nodig verzoekt de verdediging om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de vraag of de concrete en nauwkeurige beoordeling die de rechtbank dient te maken in het kader van de tweede stap van het toetsingskader van
Aranyosi en Căldăraru [7] dient te geschieden op basis van de omstandigheden op het moment van het nemen van de beslissing op het EAB of op basis van de omstandigheden op het moment waarop een opgeëiste persoon daadwerkelijk wordt overgeleverd.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden voor bepaalde tijd om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden in Frankrijk. Er bestaat onduidelijkheid over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Uit de aanvullende informatie van 17 maart 2026 volgt namelijk dat gedetineerden worden ondergebracht in cellen die hun theoretische capaciteit overschrijden, en de Franse autoriteiten kunnen de gevraagde garanties over de minimale oppervlakte waarover de opgeëiste persoon zal beschikken bij zijn overlevering niet geven. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon in isolatie zal worden geplaatst. Langdurige isolatie is in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [8] Daarom moeten nadere vragen worden gesteld over het isolatie-beleid, de duur daarvan en hoeveel uren de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek om aanhouding van het onderzoek ter zitting. Het tijdsverloop tussen het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in deze zaak en het moment waarop de opgeëiste persoon feitelijk zal worden overgeleverd, is gebaseerd op een inschatting van de verdediging. De detentieomstandigheden moeten door de rechtbank worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden op het moment van het nemen van de beslissing op het EAB, en niet op het moment van de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon. Het komt vaker voor dat de feitelijke overlevering wordt uitgesteld. Dat blijkt ook uit het eerdere overleveringsverzoek ten aanzien van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft toen voorrang gegeven aan een EAB uit Spanje, waardoor de feitelijke overlevering naar Frankrijk pas op een later moment zou plaatsvinden. Dat de detentieomstandigheden in Frankrijk gewijzigd zouden kunnen zijn op het moment van de daadwerkelijke overlevering vormde toen geen beletsel voor het toestaan van de overlevering. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat de individuele detentiegarantie van 17 april 2026 wordt nageleefd, ook als de feitelijke overlevering pas op een later moment plaatsvindt. De officier van justitie heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in de detentie-instelling
Fleury-Merogisniet aan overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staan. De door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte individuele detentiegarantie van 17 maart 2026 neemt het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg. Uit deze informatie volgt dat de opgeëiste persoon alleen in een eenpersoonscel van 9 tot 10 m2 zal worden geplaatst. Dit is bevestigd in de aanvullende informatie van 31 maart 2026. Voorts is het aan de Franse autoriteiten om te beoordelen welk beveiligingsniveau voor de opgeëiste persoon passend wordt geacht. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg. [9]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het betoog van de raadsvrouw op grond van het volgende.
Uit het systeem van de OLW volgt dat de rechtbank eerst beoordeelt of de overlevering toelaatbaar is. Indien de overlevering wordt toegestaan, wordt de opgeëiste persoon op grond van artikel 35, eerste lid, OLW binnen tien dagen na de datum van de uitspraak feitelijk overgeleverd. De rechtbank kan de feitelijke overlevering uitstellen, onder meer wegens een strafrechtelijke vervolging in Nederland tegen de opgeëiste persoon. In dat geval kan de rechtbank op grond van artikel 36, tweede lid, OLW bepalen dat de opgeëiste persoon ten behoeve van diens vervolging of de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf “reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden gesteld”.
Op grond van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 maart 2026 en 31 maart 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid in de detentie-instelling
Fleury-Merogiszal worden gedetineerd zodat de rechtbank de detentieomstandigheden in deze detentie-instelling moet beoordelen. Die beoordeling vindt plaats in de uitspraak van heden en, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet op het moment dat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon in zicht komt. De raadsvrouw gaat namelijk met haar betoog dat de opgeëiste persoon pas over twee tot drie jaar feitelijk aan Frankrijk kan worden overgeleverd, voorbij aan de mogelijkheid dat een feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon al op een veel eerder moment kan plaatsvinden op basis van een voorlopige terbeschikkingstelling ex artikel 36, tweede lid, OLW. In dat verband acht de rechtbank van belang dat de opgeëiste persoon eerder, in december 2025, naar aanleiding van de eerdere overleveringsprocedure ook al voorlopig ter beschikking gesteld is aan Frankrijk, terwijl toen eveneens sprake was van een Nederlandse strafvervolging en een Spaans EAB waarin de overlevering was toegestaan. Het betoog dat na de uitspraak geen nieuwe toets van artikel 11 OLW Pro kan plaatsvinden, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al omdat dit betoog feitelijk onjuist is. Als de feitelijke overlevering in zicht komt en de verdediging op dat moment meent dat de verstrekte individuele garantie niet langer nageleefd kan worden vanwege verslechterde detentieomstandigheden in Frankrijk, bestaat namelijk de mogelijkheid tot een kortgedingprocedure bij de rechtbank Den Haag.
Concluderend wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging om aanhouding van het onderzoek ter zitting tot het moment dat er zicht is op de feitelijke overlevering naar Frankrijk af, aangezien zij van oordeel is dat met de verstrekte informatie vanuit Frankrijk een afgewogen oordeel genomen kan worden over het gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in de detentie-instelling
Fleury-Merogis. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU.
Blijkens de verstrekte informatie zal de opgeëiste persoon in de detentie-instelling
Fleury-Merogisworden gedetineerd in een eenpersoonscel met een vloeroppervlakte van 9 tot 10 m2. De opgeëiste persoon zal dan ook over voldoende persoonlijke ruimte beschikken. De mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat geen concrete garanties kunnen worden gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken, is daarom niet meer van belang. Bovendien zijn, anders dan de - volgens Franse berekeningsmethoden vastgestelde - hoge bezettingsgraad in de detentie-instelling van
Fleury-Merogisvan 174,5%, geen objectieve gegevens overgelegd op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld.
Het verweer dat dat de opgeëiste persoon langdurig in een isolatieregime geplaatst zal worden, zonder enig contact met andere personen, slaagt evenmin. In de detentiegarantie van 17 maart 2026 staat namelijk niet vermeld dat de opgeëiste persoon in een isolatieregime wordt geplaatst; vermeld is wel dat hij in isolatie, dus alleen in een cel met een oppervlakte van 9 tot 10 m2, zal worden geplaatst. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon blijkens deze detentiegarantie kan deelnemen aan culturele, sportieve, sociale, re-integratie-, opleidings- en werkactiviteiten, dat hij bezoek kan ontvangen, een uur per dag naar buiten kan en, als hij zich daarvoor inschrijft, betaald werk kan verrichten. Van een isolatieregime is, anders dan de verdediging heeft gesteld, dus geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen reden om hierover aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat met de gegeven individuele garantie het aangenomen algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Franse Huizen van Bewaring voor mannen ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Samenloop met het Spaanse EAB

Naast dit EAB is sprake geweest van een Spaans vervolgings-EAB met het parketnummer 13-201497-24. In haar uitspraak van 18 september 2024 [10] heeft de rechtbank de overlevering aan Spanje voor dat Spaanse EAB toegestaan. Voorts heeft de rechtbank toen geoordeeld dat voorrang dient te worden gegeven aan het Spaanse EAB boven het Franse EAB met het parketnummer 13-202919-24 (EAB II) en twee andere Franse EAB’s met de parketnummers 13/214496-24 (EAB III) en 13/214559-24 (EAB IV), waarvoor bij uitspraak van 18 september 2024 de overlevering aan Frankrijk eveneens was toegestaan. [11] De rechtbank stelt vast dat het onderhavige EAB dezelfde verdenking betreft als het vorige Franse EAB II. De rechtbank stelt verder vast dat tot op heden geen sprake is geweest van een feitelijke overlevering aan Spanje op grond van het Spaanse EAB waarvoor de overlevering is toegestaan.
Onder verwijzing naar de omstandigheden zoals omschreven in de uitspraak met het parketnummer 13-201497-24, is de rechtbank van oordeel dat voorrang moet worden verleend aan voornoemd Spaanse EAB en dat overlevering aan Spanje als eerste moet plaatsvinden, nu in dit geval het onderzoeksbelang in Spanje het grootst is. In het Spaanse EAB is namelijk sprake van een (nog levend) slachtoffer en het feit is van de meest recente datum. Na een eventuele veroordeling kan de opgeëiste persoon (verder) overgeleverd worden naar Frankrijk, om aldaar vervolgd te worden en zijn nog te executeren straf(fen) uit te zitten.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 189 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Openbaar Aanklager bij de Rechtbank van Pontoise, Frankrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALTdat
VOORRANGdient te worden gegeven aan het Spaanse EAB met het parketnummer 13-201497-24 boven het onderhavige Franse EAB met het parketnummer
13-018785-26 (en de twee andere Franse EAB’s met de parketnummers 13/214496-24 (EAB III) en 13/214559-24 (EAB IV)).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en W.A.J.P. van den Reek, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.
5.De verdediging heeft verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, zaak
6.De verdediging heeft verwezen naar Europees Hof voor de Rechten van de Mens 25 maart 2021,
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016,
8.De verdediging heeft verwezen naar Europees Hof voor de Rechten van de Mens 12 mei 2005,
9.De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 15 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3797.
10.Rb. Amsterdam 18 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5804.
11.Niet gepubliceerd.