Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5571

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
13-091132-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 12 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over executie Europees aanhoudingsbevel en gelijkstelling met Nederlander

De Rechtbank Amsterdam behandelde op 27 mei 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een Poolse onderdaan die in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn en schorste de gevangenhouding tot uitspraak.

De opgeëiste persoon erkende zijn identiteit en Poolse nationaliteit. Het EAB betreft een vrijheidsstraf van twee jaar en zes maanden opgelegd door het Hof van Beroep in Poznań, na een vonnis van maart 2021. Er was onduidelijkheid over het strafrestant, waarbij de raadsman stelde dat de opgeëiste nog slechts twee jaar en twaalf dagen moet uitzitten, terwijl het EAB een volledige strafrestant vermeldde. De rechtbank oordeelde dat onduidelijkheid over het strafrestant geen beletsel vormt voor overlevering.

De opgeëiste persoon deed afstand van het recht zich te beroepen op schending van verdedigingsrechten (artikel 12 OLW Pro) en beriep zich op artikel 6a OLW, waardoor de rechtbank de gelijkstelling met een Nederlander erkende. De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijft en zijn verblijfsrecht niet verliest door de straf. De tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen, en de opgeëiste heeft voldoende banden met Nederland.

De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen om de officier van justitie in staat te stellen het certificaat en het onderliggende arrest op te vragen bij de Poolse autoriteiten. De beslistermijn werd met 60 dagen verlengd tot 27 augustus 2026, met gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie. De zaak wordt opnieuw op zitting behandeld, waarbij de opgeëiste persoon en een Poolse tolk worden opgeroepen.

De rechtbank constateerde geen concreet individueel gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Rechtbank heropent en schorst onderzoek om certificaat en arrest op te vragen en verlengt beslistermijn met 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-091132-26
Datum uitspraak: 27 mei 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 2 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2026 door de
Sąd Okręgowy w Koninie (Regional Court in Konin), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek direct mondeling tussenuitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Koninvan 2 maart 2021, met kenmerk II K 1/16.
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 22 april 2026 blijkt dat in deze zaak sprake is geweest van een procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van
the Court of Appeals in Poznańvan 3 november 2023, met kenmerk II AKa 277/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 3 november 2023.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Strafrestant
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat het onduidelijk is wat de omvang van de resterende vrijheidsstraf is. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van twee jaren en zes maanden is opgelegd, welke straf hij nog geheel moet uitzitten. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 mei 2026 blijkt echter dat de opgeëiste persoon van 3 juni 2014 tot 21 november 2014 in voorlopige hechtenis gezeten. Dat heeft hij zelf ook steeds gezegd. De Poolse advocaat van de opgeëiste persoon heeft een berekening gemaakt en uit zijn verklaring van 26 mei 2026, die aan de rechtbank is overgelegd, blijkt dat de opgeëiste persoon nog maar twee jaren en twaalf dagen moet uitzitten. Het is voor de opgeëiste persoon van belang hier zekerheid over te hebben.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vraag naar het strafrestant een executieaangelegenheid is die niet aan overlevering in de weg staat. Uit de opmerking in de brief van 20 mei 2026 kan bovendien opgemaakt worden dat al rekening is gehouden met het voorarrest toen de straf werd opgelegd, nu er staat dat ‘
[t]he prosecuted person was detained from 3 June 2014 to 21 November 2014 and this period was counted towards the sentence’.
Oordeel van de rechtbank
In eerdere uitspraken [4] heeft de rechtbank geoordeeld dat alleen de opgelegde gevangenisstraf moet worden getoetst. Voor zover er al onduidelijkheid bestaat over het strafrestant, staat dit niet aan overlevering in de weg. Er is immers een straf opgelegd van meer dan vier maanden en er is niet aangevoerd noch aannemelijk gemaakt dat er in het geheel geen strafrestant meer is.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De opgeëiste persoon is - zo blijkt uit de aanvullende informatie van 22 april 2026 - niet aanwezig geweest bij de procedure die tot het arrest met kenmerk II AKa 277/21 heeft geleid. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft op de zitting medegedeeld dat de opgeëiste persoon de zaak graag wil afsluiten door gelijkgesteld te worden met een Nederlander en hier zijn straf uit te zitten en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro wat hem betreft niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank begrijpt hieruit dat de opgeëiste persoon zich beroept op artikel 6a OLW en afstand doet van het recht om zich te beroepen op schending van zijn verdedigingsrechten. [5] Dit leidt tot het oordeel dat van weigering op grond van artikel 12 OLW Pro wordt afgezien.

5.Strafbaarheid

5.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst één strafbaar feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
mensenhandel;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid/naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Zij hebben verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om toezending van het certificaat en het arrest door de Poolse autoriteiten af te wachten.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Nu de opgeëiste persoon in het bezit is van een Registratiekaart duurzaam verblijfsrecht in de Europese Unie, die in augustus 2024 is afgegeven en waarbij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op 11 mei 2026 heeft meegedeeld dat het EU-verblijfsrecht is ontstaan op of rond 12 augustus 2019, hoeft hij niet meer aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 11 mei 2026 volgt dat de strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Het eerste in het EAB vermelde strafbare feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Uit deze kwalificatie en de hiervoor onder 5.2 weergegeven Nederlandse kwalificaties van de overige feiten volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende - met name economische - banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
Het arrestC.J.
van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak
C.J. [7] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen [8] volgt uit dat arrest - samengevat - dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest
C.J.van het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van
the Court of Appeals in Poznańvan 3 november 2023 (met kenmerk II AKa 277/21) op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen in dat arrest opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
Verlenging van de beslistermijn
Artikel 22, vierde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. De rechtbank ziet de nieuwe lijn zoals uitgezet in het arrest
C.J.van het HvJ EU nog steeds als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [9]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [10]

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en het onderliggende arrest op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (
eindigend op 27 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak zo snel mogelijk, maar uiterlijk op
13 augustus 2026opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 7 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2984.
5.Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 mei 2026, ECLI:EU:C:2026:416 (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
8.Rb Amsterdam 30 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7371.
9.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
10.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (