Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4732

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
25/5338
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.3 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onjuiste ingangsdatum en motiveringsgebrek maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden

Eiser heeft een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden (hbh) aangevraagd op 27 augustus 2024. Verweerder kende het pgb toe met ingang van 1 oktober 2024, maar eiser betwistte deze ingangsdatum en de omvang van het pgb. De rechtbank oordeelt dat de ingangsdatum onjuist is vastgesteld en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd hoeveel uur hbh eiser toekomt op basis van het aantal toegekende punten.

De rechtbank stelt vast dat de Wmo 2015 en de gemeentelijke verordeningen geen regels bevatten over de ingangsdatum van een maatwerkvoorziening, maar dat de systematiek van de Wmo 2015 impliceert dat de toekenning ingaat vanaf de datum van de aanvraag. Omdat eiser geen voorafgaande kosten had, is geen reden voor terugwerkende kracht. De rechtbank bepaalt dat de ingangsdatum moet aansluiten bij de aanvraagdatum van 27 augustus 2024.

Verder is onvoldoende toegelicht hoe het aantal punten zich vertaalt in uren hulp bij het huishouden, wat een motiveringsgebrek oplevert. De rechtbank wijst erop dat 11 punten recht geven op 2 uur en 45 minuten hulp per week, niet 2 uur en 30 minuten zoals verweerder stelde. Andere bezwaren van eiser, zoals de logeerkamer en de zorgovereenkomst, worden niet toegewezen of vallen buiten de procedure.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder verplicht het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met correcte ingangsdatum en motivering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5338

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het persoonsgebonden budget (pgb) voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden (hbh) dat op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan eiser is toegekend. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum en de omvang van het pgb. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege de onjuiste ingangsdatum van de maatwerkvoorziening en een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank vindt dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd op hoeveel uur hbh eiser recht heeft gelet op het aantal punten dat hiervoor aan hem is toegekend. Op een aantal andere punten krijgt eiser geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor hbh in de vorm van een pgb. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 10 oktober 2024 toegewezen. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herzien.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 27 augustus 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor hbh in de vorm van een pgb. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder Argonaut om advies gevraagd. Argonaut heeft in zijn rapport van 9 oktober 2024 vastgesteld dat eiser door beperkingen onvoldoende in staat is tot het zelfstandig voeren van een gestructureerd huishouden. Argonaut adviseert een indicatie ter hoogte van 9 punten per week voor de duur van een jaar. De hulp bij het huishouden zal worden geleverd door de zus van eiser.
4. Verweerder heeft het advies van Argonaut in zijn geheel overgenomen en met het primaire besluit een pgb toegekend voor hbh voor de periode 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2025. Het pgb is bedoeld voor een schoon en leefbaar huis en het beschikken over schone was.
5. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de hoogte van het pgb gegrond verklaard en het primaire besluit herzien. Verweerder heeft een pgb toegekend van 11 punten over de periode 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2025. In het advies van Argonaut staat genoemd dat eiser een vaatwasser heeft. Dit is onjuist en er is daarom geen sprake van een halve overname, maar van een hele overname van de afwas. Eiser krijgt daarom extra tijd voor deze huishoudelijke taak. [1]
Het standpunt van eiser
6. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van het pgb. Hij voert aan dat hij de aanvraag heeft ingediend op 15 juli 2024 via een medewerker van het buurtteam. Eiser verwijst ook naar de informatie die hij hierover heeft gevonden op internet. Volgens eiser moet dan ook aansluiting worden gezocht bij de melding van de ondersteuningsbehoefte op 15 juli 2024. Eiser voert verder aan dat de logeerkamer had moet worden meegenomen bij het vaststellen van de omvang van de hbh. Deze kamer wordt niet als logeerkamer gebruikt. Op de zitting heeft eiser verteld dat hij deze kamer ook als slaapkamer gebruikt. Tot slot heeft eiser op de zitting nader toegelicht dat het aantal uur voor de hbh onjuist is vastgesteld en hij heeft benadrukt dat zijn zorgovereenkomst ten onrechte is afgekeurd.
Het oordeel van de rechtbank
De ingangsdatum van het pgb voor de hbh
7. De beroepsgrond dat de maatwerkvoorziening hbh moet ingaan vanaf de meldingsdatum 15 juli 2024, slaagt niet. Verweerder had de hbh moeten toekennen per datum aanvraag. De rechtbank licht dat hierna toe.
7.1.
De Wmo 2015 bevat geen regels over de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening. [2] Dit geldt eveneens voor de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2024 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2024. Ook daarin is niets bepaald over de ingangsdatum van een maatwerkvoorziening. Deze rechtbank [3] is van oordeel dat de toekenning van de maatwerkvoorziening in principe ingaat vanaf het moment van de aanvraag. De rechtbank vindt hiervoor steun in de systematiek van de Wmo 2015. [4] Volgens die systematiek moet eerst een melding worden gedaan. Naar aanleiding van die melding wordt in samenspraak met de melder een onderzoek uitgevoerd naar de behoeften en mogelijkheden van de cliënt (dat is in dit geval eiser). Het onderzoek zelf mag maximaal zes weken duren. [5] De melder wordt op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het onderzoek en vervolgens kan de melder een aanvraag indienen. [6] Het college beslist dan binnen twee weken op die aanvraag. [7]
7.2.
Een maatwerkvoorziening kan in bepaalde gevallen wel met terugwerkende kracht worden toegekend. [8] Er zal dan echter sprake moeten zijn van schade voor een betrokkene, bestaande uit voorafgaand aan de aanvraag reeds gemaakte kosten die voor vergoeding middels een pgb in aanmerking komen. Partijen zijn het er in deze zaak echter over eens dat eiser voorafgaand aan de aanvraag geen kosten had.
7.3.
Gelet op de voorgaande overwegingen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening moet aansluiten bij de datum van de aanvraag. Dat is in dit geval 27 augustus 2024 en niet 1 oktober 2024. Verweerder heeft dit ook op de zitting erkend.
De logeerkamer
8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het schoonmaken van een extra kamer. Eiser heeft op de zitting verteld dat hij de logeerkamer ook gebruikt als slaapkamer en dat hij door deze kamer heen moet om zijn badkamer te bereiken.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het uitgangspunt dat één slaapkamer wordt gebruikt en niet twee, vindt de rechtbank redelijk. Eiser woont immers alleen.
De urenomvang voor hbh
9. Eiser voert aan dat het aantal uur voor hbh onjuist is vastgesteld
9.1.
De rechtbank stelt vast dat in het primaire noch in het bestreden besluit in algemene zin is uitgelegd hoeveel uur iemand aan huishoudelijke hulp krijgt in relatie tot het aantal punten dat is toegekend. In het bestreden besluit staat alleen vermeld dat 9 punten per week neerkomt op 2:15 uur ondersteuning per week. Verweerder heeft in bezwaar twee extra punten toegekend omdat eiser geen vaatwasser heeft. Hij komt daarom in aanmerking voor 11 punten per week.
9.2.
De rechtbank vindt dit onvoldoende inzichtelijk omdat het op deze manier voor eiser niet duidelijk is waar hij feitelijk recht op heeft. De rechtbank ziet hierin een motiveringsgebrek. Dit gebrek is niet op de zitting hersteld. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat 1 punt staat voor één kwartier (= 15 minuten). Volgens hem heeft eiser met 11 punten recht op tweeënhalf uur hbh. De rechtbank stelt vast dat het voorgaande onjuist is. Met eiser stelt de rechtbank vast dat 11 punten recht geeft op twee uur en drie kwartier hbh (2:45 uur).
Tot slot
10. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat zijn zorgovereenkomst is afgekeurd.
10.1.
De rechtbank merkt op dat dit buiten de omvang van deze procedure valt, maar wil hier wel iets over zeggen. Bij de stukken is onder andere overgelegd: een besluit van de gemeente Amsterdam van 6 november 2024, een formulier van de Svb door eiser ingevuld en ondertekend op 7 november 2024 en een besluit van 11 november 2024 van de Svb.
10.2.
In het besluit van 6 november 2024 van de gemeente Amsterdam staat vermeld dat de zorgovereenkomst is afgekeurd, omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden. Eiser moet daarom een nieuwe zorgovereenkomst bij de Svb indienen. Voor meer informatie kan hij (gratis) telefonisch contact opnemen met de Wmo Helpdesk van de gemeente of langsgaan bij het Sociaal Loket in zijn buurt. Uit dit besluit maakt de rechtbank op dat de zorgovereenkomst onder andere is afgekeurd omdat er een indicatie is voor 2 uur en 15 minuten en niet voor 2,5 uur. In het formulier van de Svb dat eiser heeft ingevuld wordt echter gevraagd om het aantal uren af te ronden (15 minuten is 0,25 en 30 minuten is 0,50). Eiser heeft daarom 2,25 uur ingevuld conform het primaire besluit waarin 9 punten zijn toegekend. In het besluit van 11 november 2024 van de Svb staat dat de zorgovereenkomst niet goed of niet compleet is ingevuld omdat eiser een uurtarief of een maandbedrag moet doorgeven en niet beide. De rechtbank stelt vast dat er verschillende uitvoeringsinstanties zijn betrokken en dat hierdoor (onbedoeld) verwarring kan ontstaan. Zoals op de zitting is besproken verzoekt de rechtbank verweerder om bij de betreffende afdeling(en) van de gemeente na te gaan of bekend is dat eiser inmiddels recht heeft op 11 punten hbh (2:45 uur) en hierover ook de Svb te (laten) informeren.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening hbh onjuist is vastgesteld en het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet opnieuw beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder om het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

Artikel 2.3.2

1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2 Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3 Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4 Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5 Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6 Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7 De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8 Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9 Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.3
In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.
Artikel 2.3.5
2 Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

Voetnoten

1.De rechtbank merkt ter informatie op dat bij de stukken in deze zaak zich ook een besluit van 29 september 2025 en een beslissing op bezwaar van 16 december 2025 bevinden. Hieruit volgt dat aan eiser een pgb is toegekend van 11 punten over de periode 1 oktober 2025 tot en met 30 maart 2027. Eiser heeft hiertegen bij deze rechtbank beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer AMS 25/6939 en wordt apart behandeld.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1398 en 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:200.
3.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 15 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3341.
4.In de bijlage is de regelgeving opgenomen.
5.Op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.
6.Op grond van artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015.
7.Op grond van artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015.
8.De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraken die zijn gedaan door de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5066, de Centrale Raad van Beroep van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:23 en de rechtbank Den Haag van 25 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4153.