ECLI:NL:RBAMS:2026:2529

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
13-351462-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren over kennisgeving en verblijfsduur

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van anderhalf jaar moet ondergaan. De opgeëiste persoon betwistte onder meer de kennisgeving van de zitting en voerde aan dat hij gelijkgesteld moest worden met een Nederlander vanwege langdurig verblijf in Nederland.

De rechtbank constateerde dat de kennisgeving aan het Poolse adres was gedaan, maar dat de opgeëiste persoon hiervan op de hoogte was, mede doordat zijn moeder de oproep had opgehaald en hij een adresinstructie had ondertekend. Hierdoor werd afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

Het gelijkstellingsverweer faalde omdat de opgeëiste persoon niet ononderbroken vijf jaar rechtmatig in Nederland had verbleven, mede door een periode van detentie in Nederland die het verblijf onderbrak. Ook was het inkomen onvoldoende om aan de voorwaarden te voldoen. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een individueel reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in Polen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden zich voordoen, zodat de overlevering wordt toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks bezwaren over kennisgeving en verblijfsduur in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-351462-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 februari 2024 door
the District Court in Wroclaw, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1969,
feitelijk verblijfadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Regional Court in Oleśnicavan 10 juni 2020, met kenmerk II K 1086/19.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman en van de officier van justitie
De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot artikel 12 OLW Pro en slechts opgemerkt dat de opgeëiste persoon in de periode dat hij volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit is opgeroepen voor de zitting, al in Nederland woonde. De post is ten onrechte naar het Poolse adres van zijn moeder gestuurd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Weliswaar is geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 12 OLW Pro van toepassing, op grond van de aanvullende informatie van 21 januari 2026 kan geconcludeerd worden om af te zien van de weigeringsgrond: de opgeëiste persoon is opgeroepen op het Poolse adres dat hij zelf had opgegeven. Bovendien had hij een adresinstructie gekregen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB een kruisje gezet bij de uitzondering als bedoeld in artikel 12 sub a OLW Pro: uit de toelichting blijkt dat de oproep voor de zitting door zijn moeder is opgehaald. Derhalve is niet vast te stellen dat hij “anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van het proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Naar aanleiding van vragen gesteld door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) hebben de Poolse autoriteiten op 26 januari 2026 aanvullende informatie verstrekt. Daarin staat dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek op 24 juni 2019 is verhoord over het feit en dat hij toen een adres in Polen heeft opgegeven. De opgeëiste persoon is bovendien tweemaal gewezen op de verplichting om een eventuele adreswijziging door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend op 23 en 24 juni 2019. Uit de aanvullende informatie blijkt ook dat de oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven Poolse adres. Uit het EAB zelf blijkt dat deze oproep is opgehaald door zijn moeder, hetgeen de opgeëiste persoon heeft bevestigd bij zijn verhoor in het kader van de voorgeleiding.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure tegen hem. Nu de oproep voor de zitting naar het door hem opgegeven adres is gegaan en door zijn moeder is opgehaald, had hij ook op de hoogte kunnen zijn van de zittingsdatum. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Dit alles maakt dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft hiertoe op 13 februari 2026 stukken overgelegd. De opgeëiste persoon verblijft sinds 2017 onafgebroken in Nederland. Weliswaar stond hij niet al die tijd ingeschreven in het SKDB, hij heeft in de verschillende jaren zoveel uren gewerkt (vaak meer dan full time) dat het niet anders kan dan dat hij ook in die jaren in Nederland woonde. Uit het verzekeringsbericht van het UWV blijkt dat hij vanaf 2017 ieder jaar arbeidsverleden heeft. In een groot aantal jaren heeft hij meer dan voldoende middelen van bestaan gehad. In de jaren 2020 en 2021 heeft de opgeëiste persoon minder gewerkt als gevolg van een ongeluk. De opgeëiste persoon wist niet dat hij in die situatie een uitkering aan kon vragen. Daar werd hij pas in detentie op gewezen. Daarnaast moet de rechtbank niet te zwaar tillen aan de vier weken die de opgeëiste persoon in 2021 in detentie in Nederland heeft doorgebracht op grond van een uitspraak van de Politierechter in Den Haag van 13 september 2021 (parketnummer 09-243731-21). Van belang is met name de duur van het verblijf in Nederland en het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon. [4] Dat resocialisatiebelang ligt voor de opgeëiste persoon in Nederland en niet in Polen. De beperkte detentie van de opgeëiste persoon (slechts vier weken) moet er niet toe leiden dat de opbouw van het ononderbroken rechtmatig verblijf wordt onderbroken. De raadsman heeft om aanhouding van de zaak verzocht om een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat hij op grond van een uitspraak van de Politierechter in Den Haag tussen 13 september en 11 oktober 2021 (vier weken) een gevangenisstraf heeft uitgezeten. Het is niet mogelijk dat hij al vóór die tijd duurzaam verblijfsrecht had verworven, nu hij eerst in 2017 naar Nederland is gekomen. Vanaf 11 oktober 2021 is de termijn van vijf jaar opnieuw gaan lopen. Sedertdien zijn nog geen vijf jaren verstreken. Volgens vaste jurisprudentie onderbreekt detentie in Nederland de periode van rechtmatig verblijf in Nederland. [5] De jurisprudentie die de raadsman heeft aangehaald maakt dit niet anders. Ten overvloede merkt de officier van justitie op dat de opgeëiste persoon in 2021 een te laag inkomen heeft genoten. De weigeringsgrond van artikel 6a OLW doet zich niet voor.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon, in ieder geval over 2021, onvoldoende inkomen (namelijk: 4.498,00 EUR) heeft genoten om aan de eisen voor gelijkstelling te voldoen. De raadsman heeft zijn stelling dat sprake was van tijdelijke arbeidsongeschiktheid door een ongeluk niet met stukken onderbouwd.
Bovendien blijkt uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van de opgeëiste persoon dat hij van 13 september 2021 tot en met 11 oktober 2021 in Nederland gedetineerd heeft gezeten, omdat hij in de zaak met parketnummer 09-247331-21 door de rechtbank Den Haag is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken waarvan twee weken voorwaardelijk.
Het beroep van de raadsman op het arrest
Vomeroslaagt niet. In dat arrest ging het om de vraag wanneer een Unieburger in aanmerking komt voor het aanzienlijk verhoogde niveau van bescherming van het derde lid van artikel 28 van Pro de Verblijfsrichtlijn tegen verwijdering. Dat is volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) het geval als een Unieburger beschikt over duurzaam verblijfsrecht en de laatste tien jaar in de gastlidstaat heeft verbleven. In dat laatste kader heeft het HvJ EU overwogen dat de jaren doorgebracht in detentie niet zonder meer de duurzaamheid van het verblijf in de gastlidstaat verbreken. Dat is echter niet de vraag die in deze zaak aan de orde is. In dit geval is het de vraag of de opgeëiste persoon überhaupt een duurzaam verblijfsrecht heeft. Voor beantwoording van die vraag is onder meer van belang het arrest van het HvJ EU [6] in de zaak
Onuekwere. Daaruit volgt dat een periode die op grond van een straf in detentie is doorgebracht niet meetelt voor de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht en dat een dergelijke periode het ononderbroken karakter van het verblijf doorbreekt. Deze regel is ook opgenomen in artikel 8.17, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, uitgelegd in het licht van voornoemde uitspraak. De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat vóór de datum van 13 september 2021 er nog geen sprake was van een ononderbroken rechtmatig verblijf voor de duur van ten minste vijf jaren. Na 11 oktober 2021 kan er per definitie geen sprake zijn van een duurzaam verblijfsrecht, omdat er sindsdien tot aan de uitspraak van heden nog geen vijf jaren zijn verstreken.
De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op gelijkstelling met een Nederlander en ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 157 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Wroclaw(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.De raadsman heeft verwezen naar Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:256
5.De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6499 en Rb. Amsterdam 25 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4253. De officier van justitie heeft verder verwezen naar artikel 8.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:13 (
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (