ECLI:NL:RBAMS:2026:1624

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
13/310756-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor deelneming aan criminele organisatie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen tegen de opgeëiste persoon, die verdacht wordt van deelneming aan een criminele organisatie en een tweede feit. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk.

Het EAB betreft een vrijheidsstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan nog ruim één jaar rest. De rechtbank stelde vast dat het eerste feit, deelneming aan een criminele organisatie, een lijstfeit is waarvoor geen toetsing van dubbele strafbaarheid vereist is. Het tweede feit, exploiteren van prostitutie, voldoet niet aan de Nederlandse strafbaarstelling en daarmee niet aan de dubbele strafbaarheidseis.

Hoewel de rechtbank het tweede feit niet strafbaar acht volgens Nederlands recht, besloot zij af te zien van weigering van overlevering omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft en de overlevering voor het eerste feit toelaatbaar is. Tevens is geen concreet gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen aangetoond. De rechtbank stond daarom de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor deelneming aan een criminele organisatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/310756-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 oktober 2025 door
the Circuit Court in Sosnowiec, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Circuit Court in Sosnowiecvan 5 oktober 2023, met referentie IV K 144/22. Uit de aanvullende informatie van 1 december 2025 blijkt dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld en dat op 26 september 2024 een arrest is gewezen door
the Court of Appeal in Katowice, met referentie II AKa 106/24.
De aanvullende informatie van 1 december 2025 vermeldt dat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest van 26 september 2024 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 2 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 2 niet voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. [4]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van feit 2 niet is voldaan aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd, omdat dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. De Nederlandse wet kent namelijk geen strafbaarstelling voor het exploiteren van prostitutie, zolang er geen minderjarigen bij betrokken zijn en geen sprake is van een uitbuitingssituatie. Deze omstandigheden blijken niet uit de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB .
Artikel 7, tweede lid, OLW bevat een facultatieve weigeringsgrond voor gevallen waarin niet is voldaan aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, OLW zijn neergelegd. Dat houdt in dat de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon kan weigeren als een niet-lijstfeit naar Nederlands recht niet strafbaar is, maar niet verplicht is om de overlevering te weigeren. De rechtbank kan ook afzien van weigering. In deze zaak ziet de rechtbank daartoe aanleiding, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen andere onderdanen van Polen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor de straf door de Nederlandse autoriteiten overgenomen zou moeten worden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een weigering niet mag leiden tot straffeloosheid. Dit dient dan ook te worden voorkomen. Daarbij komt dat de overlevering voor feit 1 toelaatbaar is. De gezamenlijke afdoening is ook in het belang van de opgeëiste persoon.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Sosnowiec, Polen, voor de feiten zoals die omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 17 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5139 en Rb. Amsterdam 4 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:706.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (