ECLI:NL:RBAMS:2026:136

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13-010049-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafbaarheid en detentieomstandigheden

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat er geen weigeringsgronden zijn voor de overlevering. De opgeëiste persoon, geboren in 1991 in Polen, is verdacht van poging tot diefstal met geweld. De rechtbank heeft de detentieomstandigheden in Polen beoordeeld en geconcludeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering een persoonlijke leefruimte van minimaal drie m2 zal hebben en voldoende tijd buiten zijn cel kan doorbrengen. De rechtbank heeft de argumenten van de raadsman, die zich baseerden op zorgen over de rechtsstaat in Polen en de detentieomstandigheden, verworpen. De rechtbank oordeelde dat er geen individueel reëel gevaar bestaat voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij zij zich baseerde op de informatie van de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden en de garanties die zijn gegeven. De uitspraak is openbaar uitgesproken en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-010049-25
Datum uitspraak: 14 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 december 2021 door
the Regional Court in Kielce (Sąd Okręgowy w Kielcach),Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfsadres [adres] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M. van Stratum, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
arrest warrant of the Local Court in Kielce (Sąd Rejonowy)van 25 februari 2020 met referentienummers IX Kp 885/19, (PR.1.Ds.1897.2018.D), 3 Ds. 133/14.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal, vergezeld met en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5.Artikel 11 OLW

5.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit primair dat de overlevering moet worden geweigerd gelet op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Door onder meer
Amnesty Internationalen
the European Prison Litigation Network(Europees Netwerk voor Gevangenisgeschillen) zijn grote zorgen geuit over de toegang tot onafhankelijke rechtspraak, met name over de hervormingen die in gang zijn gezet maar tot op heden niet ten uitvoer zijn gelegd. Daarnaast heeft de regering van Polen de uitspraak van het Poolse Constitutioneel Hof bekrachtigd waarin het Poolse recht boven de wetgeving van de Europese Unie wordt gesteld. Tot slot oordeelt het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) dat de Poolse regels voor de benoeming van rechters in het Hooggerechtshof in strijd zijn met de Europese wetgeving. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman een stuk van het Binnenlands juridisch gevangenisnieuws van 3 juni 2024 overgelegd. Subsidiair verzoekt de raadsman om de zaak aan te houden om aanvullende gegevens op te vragen aan de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van dit punt geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4] De punten die de raadsman heeft aangevoerd, zien op dit eerder vastgestelde algemeen reëel gevaar. De opgeëiste persoon heeft echter geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak. Hierdoor is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [5]
5.2
Detentieomstandigheden in Polen
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde
remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Poolse detentie-instellingen terechtkomen. [6] Het kernpunt daarbij is dat in het
remand regimeslechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het openbaar ministerie (hierna: IRC) vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Op 9 december 2025 heeft
the Deputy Cicrcuit Prosecutor of the Circuit Prosecutor’s Office in Kielcein een brief het volgende medegedeeld:
“(…) If the remand prisoner is transported on a plane and handed over to the Polish authorities at Warszawa Okęcie Airport, he will first be placed in Warszawa, in all likelihood in the Warszawa-Białołęka Remand Centre. From there, within a few days at the latest, he (…) will be detained at the Remand Centre in Kielce. [opgeëiste persoon] will be provided with a living space of at least 3 (three) square metres in the Remand Centre in Kielce. (…) Separate sanitary facilities do not count towards the personal space.
The District Prosecutor's Office in Kielce-Zachód (…) cannot guarantee that after the requested person is handed over to the authorities of the Republic of Poland and placed in the Remand Centre in Kielce, he will spend at least 2 hours a day outside his cell. (…)
(…) [opgeëiste persoon] will have the opportunity to participate in cultural and educational activities organised by the administration of the penitentiary unit in the common rooms located in the residential sections of the remand centra, where they can play board games, table football, chess, borrow books and read newspapers. Furthermore, the Remand Centra in Kielce organises theme oriented contests, for example on history or sport, in which remand prisoners can participate. Common room activities are carried out between 8:00 a.m. and 4:00 p.m. based on a weekly schedule developed by the counsellors at specific residential sections, approved by the prison governor, and are carried out with breaks for dinner and supper. Most often, this is a designated day of the week for a given cell, while sports and recreational activities take place during one-hour-long outdoor time every day. (…). Besides, remand prisoners are entitled to at least one hour of walking per day. This activity is carried out independently of the activities described above. Participation in the activities is voluntary, and remand prisoners express their willingness to participate in the organised common-room activities by informing a warden. (…) Activities for the inmates are organised at different times and they continue for 60 minutes. (…) [opgeëiste persoon] will be given an opportunity to have a one­hour's walk per day, which is not compulsory. During the walk he will be able to use sports equipment - that is a tennis table and a body workout multi-gym. (…)
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit primair dat de overlevering moet worden geweigerd gelet op artikel 11 OLW. In de aanvullende informatie van 9 december 2025 wordt namelijk niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon voldoende uren buiten de cel kan verblijven. Hierdoor bestaat een individueel gevaar dat de grondrechten van de opgeëiste persoon worden geschonden. Subsidiair verzoekt de raadsman om de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij gelet op het arrest
MLvan het HvJ EU uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. [7]
Uit de aanvullende informatie van 9 december 2025 van de Poolse autoriteiten, leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk na zijn overlevering in het kader van zijn aankomst eerst korte tijd in het
remand regimein het detentiecentrum Warschau-Białołęka zal worden geplaatst alvorens hij naar het Detentiecentrum in Kielce zal worden overgeplaatst. Gelet hierop zal de rechtbank (ook) de detentieomstandigheden van de detentie-instelling van Warschau-Białołęka moeten onderzoeken.
De detentieomstandigheden in Warschau-Białołęka
De rechtbank is ambtshalve bekend dat overgeleverde personen (ook) in deze detentie-instelling de beschikking krijgen over ten minste drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair). Daarnaast gaat de rechtbank, gelet op het vastgestelde algemene gevaar inhoudende dat gedetineerden tot 23 uur per dag op cel verblijven en de ambtshalve kennis van de rechtbank uit andere zaken, ervan uit dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft om ten minste één uur per dag te wandelen buiten de cel in de detentie-instelling Warschau-Białołęka. [8]
De rechtbank acht deze informatie voldoende om het eerder vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon met betrekking tot deze detentie-instelling weg te nemen. Hoewel in andere zaken is aangenomen dat het algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten
in ieder gevalis weggenomen als een opgeëiste persoon twee uur per dag buiten de cel kan verblijven in het geval van persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel tussen de drie en vier m2 exclusief sanitair, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de opgeëiste persoon mogelijk minder dan twee uur (maar tenminste één uur) per dag buiten zijn cel kan verblijven in dit geval geen onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. De rechtbank gaat er namelijk van uit dat het verblijf in deze instelling van zeer korte duur zal zijn, omdat al bekend is naar welke detentie-instelling de opgeëiste persoon zal worden overgeplaatst. In de andere zaken ging het om de detentieomstandigheden in de detentie-instelling waarin de betrokkene, na een (zeer) kort verblijf in een andere detentie-instelling bij aankomst in Polen, volgens een concreet voornemen of hoogstwaarschijnlijk in voorlopige hechtenis zou worden gedetineerd. Anders dan in het geval van de opgeëiste persoon was in die andere zaken de duur van de voorlopige hechtenis en daarmee de periode gedurende welke de betrokkene maar een uur per dag buiten zijn cel kon verblijven, in beginsel onbepaald.
De detentieomstandigheden in Kielce
De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde individuele garantie het algemene reële gevaar van schending van de grondrechten voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van 9 december 2025 af dat de opgeëiste persoon na overlevering een persoonlijke leefruimte van minimaal drie m2, exclusief sanitair, tot zijn beschikking zal hebben. Daarnaast kan de opgeëiste persoon op een vaste dag in de week in de gemeenschappelijke ruimte deelnemen aan culturele- en educatieve activiteiten waarin gedetineerden bordspellen, tafelvoetbal en schaken kunnen spelen, boeken kunnen lenen en kranten kunnen lezen. Deze activiteiten worden op verschillende tijdstippen georganiseerd en duren 60 minuten. Daarnaast worden dagelijks sport- en recreatieve activiteiten georganiseerd, die één uur duren en buiten plaatsvinden. Tot slot heeft de opgeëiste persoon het recht om minstens één uur per dag te wandelen. Dit wandelmoment vindt onafhankelijk van de hierboven beschreven activiteiten plaats. Deelname aan de activiteiten is bovendien vrijwillig en de opgeëiste persoon mag zelf aangeven of hij daaraan wil deelnemen. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in ieder geval is gegarandeerd dat hij voldoende tijd per dag buiten zijn cel mag verblijven. De detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon staan na overlevering aan Polen daarom niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden en hierover nadere vragen te stellen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Kielce (Sąd Okręgowy w Kielcach),Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
6.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
8.Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 6 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6876 en Rb. Amsterdam 25 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1228.