ECLI:NL:RBAMS:2025:9558

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
13-248778-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel Polen ondanks verweer gelijkstelling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 december 2025 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Radom. De opgeëiste persoon werd verdacht van oplichting en de overlevering werd gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van anderhalf jaar.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden met een Nederlander, omdat hij sinds 2019 onafgebroken en rechtmatig in Nederland verbleef. Hierdoor zou overlevering geweigerd moeten worden en de straf in Nederland ten uitvoer gelegd moeten worden. De raadsman overhandigde stukken ter onderbouwing, maar deze werden door de rechtbank buiten beschouwing gelaten vanwege te late indiening, gebrek aan ordening en onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro niet aan de orde was, omdat het EAB vermeldde dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de Poolse zitting. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon was onvoldoende om dit te betwijfelen. Ook werd vastgesteld dat de feiten dubbel strafbaar zijn in Nederland, namelijk oplichting.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-248778-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 29 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 maart 2025 door
the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 november 2025 in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.T.E. Kuijpers, advocaat in Capelle aan den IJssel en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Radomvan 5 april 2016 met kenmerk: VIII K 1227/11.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de zaak moet worden aangehouden, om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Volgens de opgeëiste persoon is hij nooit op een zitting geweest. In 2016 was hij al in Nederland. Hij weet wel van een eerder vonnis, maar daarbij zou de opgelegde vrijheidsstraf aanvankelijk voorwaardelijk zijn opgelegd en hiervan zou hij al een deel hebben uitgezeten. Als de straf al zou zijn omgezet, dan moet dat op een later moment hebben plaatsgevonden, maar daar is in dit dossier geen informatie over bekend. Die informatie moet opgevraagd worden.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro niet aan de orde. In het EAB staat immers vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting die tot het vonnis heeft geleid. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van de verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Ter onderbouwing verwijst de officier van justitie naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. [4]
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De opgeëiste persoon heeft bij zijn voorgeleiding op 25 september 2025 en ook ter zitting verklaard dat hij niet op de hoogte was van de zitting en/of het vonnis. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank echter uit van de juistheid van de informatie die door de Poolse autoriteiten is verstrekt. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat deze informatie onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en is met de officier van justitie van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro niet aan de orde is.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: oplichting.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Inleiding
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername. Vanaf 2019 staat de opgeëiste persoon ingeschreven in Nederland, vanaf april 2020 op het adres in [woonplaats] waar hij ook nu nog woont. Ter verdere onderbouwing heeft de raadsman bij e-mail van 14 november 2025, aangevuld op 18 november 2025, verschillende stukken overgelegd over het inkomen van de opgeëiste persoon vanaf 2019. Volgens de raadsman was het ingewikkeld om deze stukken tijdig te verzamelen, omdat de opgeëiste persoon gedetineerd was en derhalve beperkt toegang heeft tot zijn eigen administratie. Daardoor is hij afhankelijk van wat zijn partner kan aanleveren. Bovendien is hij recent aangehouden in een Nederlandse strafzaak en is er brand geweest in zijn woning. De raadsman bepleit dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de opgeëiste persoon minstens vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond en gewerkt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overgelegde stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet tijdig en goed geordend zijn overgelegd. De officier van justitie verwijst hiervoor naar een aantal uitspraken van de rechtbank Amsterdam. [5] Door het te laat aanleveren van stukken is het voor het openbaar ministerie niet mogelijk om tijdig de IND te bevragen en zo nodig, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak C.J. (C-305/22) (hierna
C.J.), [6] het certificaat en het veroordelend vonnis bij Poolse autoriteiten op te vragen. Subsidiair voert de officier van justitie aan dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld, omdat niet aangetoond kan worden dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Het is onduidelijk of de opgeëiste persoon ook in de jaren 2022, 2023 en 2024 een uitkering van het UWV heeft ontvangen en of hij dus voldoende inkomsten genoot om te kunnen spreken van rechtmatig verblijf.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt, dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. [7]
De rechtbank stelt vast dat de raadsman de stukken niet tijdig aan de rechtbank heeft doen toekomen. De raadsman heeft immers op vrijdag 14 november 2025 om 15:52 uur verschillende stukken overgelegd waardoor de rechtbank deze stukken pas twee werkdagen voor de zitting heeft kunnen bestuderen. De stukken zijn niet geordend (per jaar) en er is geen conclusie aan toegevoegd hoe hieruit afgeleid kan worden dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden. Bovendien heeft de parketsecretaris van het openbaar ministerie op 3 november 2025 de raadsman verzocht om, indien hij voornemens is om tijdens de zitting een gelijkstellingsverweer te voeren, de stukken ter onderbouwing van dit verweer tijdig – en uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting – naar het openbaar ministerie en de rechtbank te sturen.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij in een eerdere uitspraak heeft overwogen dat tijdige aanlevering van gelijkstellingstukken des te belangrijker is geworden sinds het arrest
C.J.,omdat bij een beroep op gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 6a OLW niet alleen een IND-advies moet worden opgevraagd, maar ook toestemming van de uitvaardigende lidstaat moet worden verkregen in de vorm van, kort gezegd, een WETS-certificaat en het veroordelend vonnis. [8] De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat de stukken buiten beschouwing worden gelaten. Het gelijkstellingsverweer wordt derhalve verworpen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren onafgebroken en rechtmatig in Nederland verblijft. Hoewel uit de Strafrechtketendatabank (SKDB) en uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 10 april 2019 in Nederland staat ingeschreven en heeft verbleven, ontbreken objectieve stukken over zijn inkomen over vrijwel alle jaren.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 326 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7673.
5.Rechtbank Amsterdam 9 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4798.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
7.Rechtbank Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560.
8.Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.