ECLI:NL:RBAMS:2025:8307

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
13/147637-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot strafbare feiten in Polen

Op 16 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De zaak betreft een verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder vervalsing van documenten en oplichting. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 17 september 2025 gestart, waarbij de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon aanwezig waren. Tijdens de zittingen zijn verschillende tussenuitspaken gedaan, waarbij de rechtbank aanvullende vragen heeft gesteld aan de Poolse autoriteiten over de uitvoerbaarheid van de veroordeling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het vonnis in de onderliggende Poolse zaak nog steeds uitvoerbaar is en dat er geen weigeringsgronden zijn die de overlevering in de weg staan. De raadsman heeft verschillende verweren gevoerd, waaronder een beroep op artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) en artikel 11 OLW, maar deze zijn door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de relevante procedures en dat er geen sprake is van een schending van zijn rechten. De rechtbank heeft uiteindelijk de overlevering toegestaan, waarbij zij heeft geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van de OLW en dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoering ervan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/147637-25
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 23 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 januari 2025 door
the Regional Court in Bielsko-Biala,Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon 1] alias [opgeëiste persoon 2],
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfsadres:
[adres],
nu gedetineerd in [detentie adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 17 september 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 1 oktober 2025
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 1 oktober 2025 [3] het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie aanvullende vragen te laten stellen aan de Poolse autoriteiten.
Zitting 15 oktober 2025
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 15 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak 1 oktober 2025

Bij tussenuitspraak van 1 oktober 2025 [4] heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB. Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Grondslag en inhoud van het EAB; ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft op 1 oktober 2025 een brief van de Poolse autoriteiten in de Poolse taal van 23 januari 2023 toegezonden aan de rechtbank en aangevoerd dat hieruit volgt dat de opgeëiste persoon mogelijk wordt overgeleverd voor een straf die hij reeds heeft ondergaan. Gelet hierop heeft de raadsman de rechtbank primair verzocht de overlevering niet toe te staan, subsidiair hierover aanvullende vragen aan de Poolse autoriteiten te stellen.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 1 oktober 2025 de officier van justitie verzocht aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen of, gelet op de inhoud van voornoemde brief, er nog altijd sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) op 6 oktober 2025 de volgende vraag gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“The letter of 23 January 2023 mentions judgement IX K 1204/19, for which the European Arrest Warrant is issued. In view of the attached letter, can judgement IX K 1204/19, and the underlying judgements, still be enforced?”
Daarop is een reactie gekomen van de Poolse autoriteiten van 10 oktober 2025, waarin de Poolse autoriteiten reageren op de inhoud van de door de raadsman overgelegde brief van 23 januari 2023 voor zover dat betreft het strafrestant en voorts concluderen als volgt:
“Therefore, under the applicable laws, the judgment issued in case no. IX K 1204/19, being favourable to the convict, is still subject to enforcement.”
De raadsman heeft ter zitting van 15 oktober 2025 de volledige vertaling van de brief van 23 januari 2023 overgelegd, alsmede de vertaling van een Pools vonnis van 30 juni 2020 en een brief van 9 september 2025, zijnde een bevestiging van de ontvangst van een verzoek tot heropening van de procedure met betrekking tot het vonnis met kenmerk IX K 1204/19.
Oordeel van de rechtbank
Uit de reactie van de Poolse autoriteiten van 10 oktober 2025 volgt dat het vonnis met kenmerk IX K 1204/19 nog steeds een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis is. De rechtbank concludeert dat, nu de hiervoor geciteerde conclusie uit de brief van 10 oktober 2025 volgt op een inhoudelijke reactie van de Poolse autoriteiten op de brief van 23 januari 2025 voor zover dat betreft het strafrestant, er nog steeds sprake is van een strafrestant. Voor zover er al onduidelijkheid bestaat over de duur van het strafrestant, staat dit niet aan overlevering in de weg. Er is immers een straf opgelegd van ten minste vier maanden en er is niet aannemelijk geworden dat er in het geheel geen strafrestant meer is.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

5.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen verzamelvonnis 1 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht ex artikel 6 EVRM, omdat zijn verzoek om bij het proces in hoger beroep aanwezig te zijn werd afgewezen. Ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis 1 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onduidelijk is op welke zitting de advocaat aanwezig is geweest. Ten aanzien van vonnis E heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat te weinig informatie beschikbaar is, omdat het gaat om de tenuitvoerlegging van een in eerste instantie voorwaardelijk opgelegde straf. Van de beslissing tot tenuitvoerlegging (III Ko 515/13) is niet duidelijk of de opgeëiste persoon daarbij aanwezig is geweest of niet. De overlevering moet voor deze uitspraken worden geweigerd.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is voor het verzamelvonnis 1 en vonnis 1 en verzamelvonnis 2. Op de zitting in de procedure die heeft geleid tot verzamelvonnis 1 is de opgeëiste persoon vertegenwoordigd door zijn advocaat. Ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis 1 is artikel 12, sub b, OLW van toepassing, omdat de opgeëiste persoon tijdens het proces vertegenwoordigd is door een gemachtigde advocaat. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen op de zitting die heeft geleid tot verzamelvonnis 2.
De officier van justitie heeft verwezen naar een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank voor de vonnissen A, B, C, D en E (althans, voor wat betreft vonnissen A, B en D, de in die zaken gewezen arresten in hoger beroep met de respectievelijke kenmerken IV Ka 90/11, VII Ka 85/13 en VII Ka 189/14) reeds heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. [5] Er zijn geen veranderingen opgetreden waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW nu wel van toepassing zou zijn. Bovendien is de opgeëiste persoon aanwezig geweest bij het proces dat heeft geleid tot de veroordeling voor het triggerend feit.
5.3
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Uitgangspunt beoordeling weigeringsgrond artikel 12 OLW
De rechtbank stelt op grond van het EAB en de aanvullende informatie vast dat aan het EAB het verzamelvonnis 1 ten grondslag ligt, waaraan vonnis 1 en verzamelvonnis 2 onderliggend zijn. Vonnissen A, B, C, D en E zijn onderliggend aan verzamelvonnis 2.
Zowel de onderliggende vonnissen als de verzamelvonnissen moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW. Bij de onderliggende vonnissen is namelijk onherroepelijk uitspraak gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en zijn hem op grond daarvan vrijheidsstraffen opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [6]
De rechtbank stelt vast dat verzamelvonnis 2 en vonnissen C en E in eerste aanleg zijn gewezen, zonder dat er hoger beroep is ingesteld. De rechtbank toetst deze vonnissen in eerste aanleg.
In de overige zaken, te weten verzamelvonnis 1 en de vonnissen 1, A, B, en D, heeft wel een behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. De vonnissen in eerste aanleg in deze zaken zijn niet relevant voor de toetsing aan artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW.
5.3.2
Toetsing eerste aanleg: verzamelvonnis 2, vonnissen C en E
Ten aanzien van verzamelvonnis 2 stelt de rechtbank op grond van de aanvullende informatie van 12 september 2025 vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot verzamelvonnis 2 heeft geleid. Daarom is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing.
Ten aanzien van vonnis C stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 5 september 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van vonnis E constateert de rechtbank dat de straf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon is opgelegd. Bij deze procedure is de opgeëiste persoon in persoon aanwezig geweest. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. Bij beslissing van
the District Court in Bielsko-Bialamet kenmerk III 1 Ko 515/13 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [7] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De rechtbank stelt uit de aanvullende informatie van 12 september 2025 vast dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest in de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. Daarom is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing.
5.3.3
Toetsing hoger beroep: verzamelvonnis 1 en vonnis 1, A, B, en D
Op basis van de stukken toetst de rechtbank de volgende arresten in hoger beroep:
  • Een arrest in hoger beroep van 3 juni 2020 van
  • Een arrest in hoger beroep van 8 juli 2019 van
  • Een arrest in hoger beroep van 27 juli 2011 van
  • Een arrest in hoger beroep van 27 mei 2013 van
  • Een arrest in hoger beroep van 14 april 2014 van
Ten aanzien van het hoger beroep tegen het verzamelvonnis 1 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Op grond van het EAB stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich dus niet voordoet. Daaraan doet niet af dat de opgeëiste persoon destijds een verzoek heeft ingediend om bij de zitting in hoger beroep aanwezig te zijn en dat dit verzoek werd afgewezen. Indien de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet, mag de rechtbank de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet toepassen. Voor zover de raadsman een beroep heeft willen doen op artikel 11 OLW, vanwege een gestelde schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), overweegt de rechtbank dat de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat in Polen, voor zover het gaat om gebruikmaking van het aanwezigheidsrecht ter terechtzitting, het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 47 Handvest wordt geschonden.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis 1 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 12 september 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis A stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 5 september 2025 onder andere inhoudende de voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 15 maart 2018 met betrekking tot de opgeëiste persoon stelt de rechtbank vast dat in deze zaak sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis B stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 5 september 2025 onder andere inhoudende de voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 15 maart 2018 met betrekking tot de opgeëiste persoon stelt de rechtbank vast dat in deze zaak sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen vonnis D stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 5 september 2025 (onder andere inhoudende de voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 15 maart 2018 met betrekking tot de opgeëiste persoon) stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

6.Strafbaarheid

6.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten, behalve die in vonnis 1, aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
vervalsing van documenten en handel in valse documenten;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de voornoemde feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het strafbare feit uit vonnis 1, het niet betalen van alimentatie, niet dubbel strafbaar is. Er is geen sprake geweest van een hulpbehoevende situatie zoals vermeld in artikel 255 Wetboek van Strafrecht. De overlevering moet daarom volgens de raadsman worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit weliswaar niet dubbel strafbaar is, maar dat moet worden afgezien van weigering van de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit in uit vonnis 1 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als voldaan wordt aan de eisen uit in artikel 7, eerste lid, aanhef en sub b, OLW.
Het EAB vermeldt over het strafbare feit: “
he evaded the performance of his maintenance duty (…) and he exposed the entitled persons to their inability to meet their basic needs”. De rechtbank overweegt op basis van wat in het EAB staat dat niet daadwerkelijk sprake is geweest van een hulpbehoevende situatie zoals vermeld in artikel 255 Wetboek van Strafrecht, maar alleen het risico op het ontstaan van een dergelijke situatie.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van dubbele strafbaarheid. Het niet betalen van kinderalimentatie is in Nederland geen strafbaar feit. De rechtbank verwijst in dit kader naar een eerdere uitspraak. [8] In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, omdat uit het in die zaak voorliggende EAB niet volgde dat door het niet betalen van de alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie terecht was gekomen. Hetzelfde geldt in deze zaak.
De rechtbank ziet in de onderhavige situatie echter aanleiding om van weigering af te zien, omdat het feit onvoldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het gaat om een straf opgelegd door een Poolse rechter voor een feit begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

7.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander gelet op de overgelegde stukken voor de jaren 2022 tot 2025. Hij verblijft drie jaar rechtmatig in Nederland en heeft voldoende binding met Nederland.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld, omdat deze niet aantonen dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig heeft verbleven in Nederland.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank constateert dat de raadsman alleen stukken aan de rechtbank heeft overgelegd voor de jaren 2022 tot 2025 en bovendien heeft gesteld dat de opgeëiste persoon drie jaar rechtmatig in Nederland verblijft. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l Vreemdelingenwet 2000.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank dan ook het gelijkstellingsverweer. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de tweede voorwaarde.

8.Artikel 11 OLW

8.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat artikel 11 OLW aan overlevering in de weg staat, omdat de
persoonlijke integriteit van de opgeëiste persoon gevaar loopt in detentie in Polen. Hij behoort tot de LHBTQIA+ gemeenschap en het is een feit van algemene bekendheid dat deze gemeenschap in het conservatieve Polen gevaar loopt in detentie.
8.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verweer niet slaagt. Ten aanzien van de detentieomstandigheden zijn geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat de Poolse autoriteiten de veiligheid van LHBTQIA+ gedetineerden onvoldoende kunnen garanderen. Omdat van een dergelijk algemeen gevaar geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk concreet gevaar voor de opgeëiste persoon.

9.Evenredigheid

9.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich in het kader van de evenredigheid op het standpunt gesteld dat sprake is van een relatief kort strafrestant van elf maanden en twintig dagen, dat de opgeëiste persoon te vrezen heeft voor de veiligheid in de detentie-instelling door zijn seksuele geaardheid, en dat Polen het specialiteitsbeginsel niet zal nakomen aangezien er nog twee andere gevangenisstraffen openstaan die niet in het EAB zijn genoemd.
9.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden toegestaan, omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat Polen het specialiteitsbeginsel niet zal naleven ten aanzien van eventuele andere vonnissen. De officier van justitie heeft daarnaast verwezen naar een nog niet gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2025, waarin is bepaald dat geen algemeen gevaar wordt aangenomen voor de groep van LHBTQIA+ gedetineerden in Polen.
9.3
Oordeel van de rechtbank
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de zogenaamde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. [9] De rechtbank overweegt dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden niet kunnen gelden als dergelijke bijzondere omstandigheden.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het specialiteitsbeginsel moet worden gewaarborgd door de uitvaardigende lidstaat en niet door de uitvoerende lidstaat. Op basis van het enkele feit dat er wellicht andere vonnissen bestaan, kan de rechtbank niet vaststellen dat er het risico bestaat dat de Poolse autoriteiten het specialiteitsbeginsel niet zullen nakomen.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

10.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

11.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

12.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon 1] alias [opgeëiste persoon 2]aan
the Regional Court in Bielsko-Biala,Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
5.Rb. Amsterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1549.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
7.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
8.Rb. Amsterdam 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1803, ro. 6.2.
9.Zie o.a. Rb. Amsterdam 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.