Uitspraak
Beschikking van 10 juni 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz).
1.Procesverloop
- het beroepschrift met bijlagen van 15 april 2025;
- nadere stukken ingediend door verzoeker, ontvangen op 12 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van 14 mei 2025.
- verzoeker, vertegenwoordigd door mevrouw mr. [naam 1] , mevrouw mr. [naam 2] in hun hoedanigheid als jurist en de heer dr. O.R. de Peuter als plaatsvervangend geneesheer-directeur;
- mr. A.S. Kamphuis, advocaat namens verweerder.
2.De feiten2.1. Verweerder was tot voor kort onder een zorgmachtiging opgenomen bij de accommodatie [verblijfplaats 1] . Inmiddels verblijft betrokkene op de locatie [verblijfplaats 2] van Arkin. Aan verweerder is verplichte zorg aangezegd, waaronder ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘opname in een accommodatie’.
3.3. Het verzoek
inde accommodatie raakt. Een belangenafweging leidt er volgens verzoeker toe dat de gezondheid van haar medewerkers prevaleert boven de wens van cliënten te roken tijdens begeleide wandelingen.
4.Verweer
inde accommodatie. Het wandelen tijdens verlof vindt plaats buiten het terrein en valt dus niet onder de accommodatie. Het verbod op het roken tijdens het wandelen onder begeleiding, hoort dus niet thuis in de huisregels en heeft derhalve geen wettelijke grondslag. Bovendien is in de jurisprudentie uitgemaakt dat gezondheidsredenen van cliënten en medewerkers niet binnen de reikwijdte van ‘de ordelijke gang van zaken en de veiligheid’ vallen en dat een algeheel rookverbod daarom niet voldoet aan art. 8:15 lid 1 Wvggz Pro.
5.5. Beoordeling
1 april 2025, zes weken na 18 februari 2025 en het moment waarop de beslissing van de klachtencommissie aan verzoeker is medegedeeld , het schriftelijk en gemotiveerde verzoekschrift in had moeten dienen bij de rechtbank. Verzoeker heeft dit ook getracht, blijkens het e-mailbericht van
31 maart 2025, waarin zij als het ware pro-forma beroep instelt, zonder gronden. Dit is door de rechtbank niet toegelaten, nu de Wvggz in art. 10:7 lid 1 voorschrijft Pro dat een verzoekschrift ter verkrijging van een beslissing over de klacht schriftelijk en gemotiveerd dient te zijn. Dit schriftelijk en gemotiveerde verzoekschrift is vervolgens door de rechtbank ontvangen op 15 april 2025.
Voorts legt de rechtbank aan de verschoonbaarheid van verzoeker ten grondslag dat op het moment dat de beslissing van de klachtencommissie op 18 februari 2025 werd medegedeeld voor verzoeker nog geen gronden voor de beslissing van de klachtencommissie bij verzoeker bekend waren. Deze volgden pas in de schriftelijke toegezonden beslissing op 6 maart 2025. De initiële klacht van verweerder diende blijkens de beslissing van de klachtencommissie al van 6 februari 2025. Op grond van art. 10:5 lid 2 Wvggz Pro dient de klachtencommissie binnen veertien dagen na ontvangst van de klacht een schriftelijk en gemotiveerde beslissing te nemen. Van een situatie als omschreven in art. 10:5 lid 3 Wvggz Pro is wat de rechtbank betreft geen sprake, waardoor de beslistermijn van de klachtencommissie niet wordt verlengd. Derhalve stelt de rechtbank vast dat de klachtencommissie in dezen haar beslistermijn heeft overschreden, nu niet op 20 februari 2025, twee weken na indiening van de klacht, maar pas op 6 maart 2025 een schriftelijke en gemotiveerde beslissing aan verzoeker en verweerder is toegezonden. Deze termijnoverschrijding mag niet voor rekening van verzoeker komen, omdat dit tot gevolg zou hebben dat de termijn voor het indienen van een verzoekschrift ter verkrijging van een beslissing over de klacht als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro op deze wijze door toedoen van de klachtencommissie voor verzoeker wordt ingekort. Ook om deze reden acht de rechtbank de termijnoverschrijding van verzoeker verschoonbaar.
23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:657, r.o. 2.8.6).
6.Beslissing
mr. E. Dinjens rechters, in tegenwoordigheid van J.M. Vos, griffier, op 10 juni 2025.