Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Wettelijk kader
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 juli 2023.
Hoge Raad
Betrokkene, opgenomen in een instelling op grond van een zorgmachtiging, diende een klacht in tegen een nieuw rookbeleid dat sinds 1 juli 2022 ook roken in de open lucht op het terrein van de instelling verbood. Dit verbod was niet opgenomen in de schriftelijke huisregels, die alleen roken binnen gebouwen verboden. De klachtencommissie verklaarde zich onbevoegd de klacht te behandelen en de rechtbank Oost-Brabant verklaarde de klacht niet-ontvankelijk omdat het rookverbod in de open lucht niet in de huisregels stond.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de klacht niet-ontvankelijk had verklaard. Volgens de Hoge Raad kon betrokkene op grond van de Wvggz wel degelijk een klacht indienen over het nieuwe algehele rookverbod, ook al was dit niet in de huisregels opgenomen. De klacht hield in dat de instelling in strijd handelde met artikel 8:15 Wvggz Pro door het nieuwe rookverbod te handhaven naast de huisregels.
De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Daarbij kan nader worden onderzocht of het algehele rookverbod dwingend voortvloeit uit andere regelgeving of noodzakelijk is voor de ordelijke gang van zaken en veiligheid in de accommodatie. De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de klachtenprocedure en de reikwijdte van huisregels binnen de Wvggz.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring en wijst de zaak terug voor verdere behandeling.