Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.Beslissing
23 april 2021.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure stelde de kantonrechter te Groningen vragen aan de Hoge Raad over de ontvankelijkheid van reconventionele vorderingen in procedures op grond van art. 7:262 BW Pro, die betrekking hebben op uitspraken van de huurcommissie. Het geschil betrof een huurovereenkomst van zelfstandige woonruimte waarbij de huurcommissie had geoordeeld dat de overeengekomen huurprijs niet redelijk was.
De vraag was of de gedaagde, die evenals de eiser een beslissing van de kantonrechter wenst over een punt waarover de huurcommissie een uitspraak had gedaan, verplicht is om een vordering in reconventie binnen de termijn van acht weken na verzending van de uitspraak van de huurcommissie in te stellen. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag bevestigend: zodra een partij tijdig een vordering instelt, vervalt de binding aan de uitspraak van de huurcommissie volledig.
De Hoge Raad overwoog dat het huurrechtelijke systeem en de aard van de procedure op grond van art. 7:262 BW Pro niet vereisen dat de gedaagde zijn standpunten over andere geschilpunten dan die in conventie aan de kantonrechter moet voorleggen binnen de termijn van acht weken. De kantonrechter beslist over het gehele geschil, ook over punten die niet in conventie zijn aangevoerd, en de gedaagde is ontvankelijk in een reconventionele vordering die buiten de termijn is ingesteld.
De Hoge Raad benadrukte dat dit past bij de laagdrempelige en informele aard van de huurcommissieprocedure en voorkomt rechtsonzekerheid over de omvang van de rechtsstrijd. De uitspraak bevestigt dat de rechter ook na het verstrijken van de termijn van acht weken over alle geschilpunten kan oordelen, zonder dat de gedaagde formeel een reconventionele vordering hoeft in te stellen binnen die termijn.
De Hoge Raad besloot de prejudiciële vragen op deze wijze te beantwoorden en begrootte de kosten van de procedure op nihil.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat een gedaagde in een procedure op grond van art. 7:262 BW ook na de termijn van acht weken een reconventionele vordering kan instellen zonder dat deze niet-ontvankelijk is.