ECLI:NL:RBAMS:2025:10806

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
1303172025
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en rechtsstaat in Hongarije

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Fóvarosi Törvényszék in Hongarije. De zaak werd behandeld in het kader van de Overleveringswet (OLW) en betrof de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon, die in Hongarije een vrijheidsstraf van drie jaar moet ondergaan voor illegale handel in verdovende middelen. Tijdens de zitting op 4 december 2025 werd de opgeëiste persoon bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B.G.M.C. Peters, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, was ook aanwezig. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De raadsvrouw voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege de detentieomstandigheden in Hongarije en het risico op een onmenselijke behandeling. De officier van justitie betoogde echter dat de verzetgarantie voldeed aan de eisen van de OLW. De rechtbank oordeelde dat de overlevering niet geweigerd kon worden op basis van de aangevoerde gronden, en dat de opgeëiste persoon voldoende rechtsmiddelen zou hebben na zijn overlevering. De rechtbank concludeerde dat er geen algemeen gevaar was voor een eerlijk proces in Hongarije en dat de detentiegarantie voldoende was om de overlevering toe te staan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-031720-25
Datum uitspraak: 18 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 9 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2024 door de
Fóvarosi Törvényszék Büntetés-végrehajtasi Csoportja, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Syrië)
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[adres] ,
thans gedetineerd in [detentie-instelling] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Arabische taal (Syrisch-Libanees).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Syrische nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van het Hoofdstedelijk Gerechtshof van Boedapest van 10 november 2023 met kenmerk 93.B.49/2023/42.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie (3) jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd omdat uit het EAB niet blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de procedure of dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van de zaak om nadere vragen te stellen aan Hongarije over de afgegeven verzetgarantie. De redenen hiervoor zijn de volgende:
  • Het EAB vermeldt dat het vonnis kracht van gewijsde heeft, wat impliceert dat er geen rechtsmiddelen meer open staan.
  • Uit het EAB volgt dat er een beslissing in hoger beroep is geweest van het Hoofdstedelijk Gerechtshof in Boedapest zonder dat er melding wordt gemaakt van een procedure in eerste aanleg. De opgeëiste persoon mist dan dus de kans om zich in twee instanties te verdedigen.
  • Het is, gelet op de uitspraken van de rechtbank over verzetgaranties uit Roemenië, onduidelijk of deze Hongaarse verzetgarantie wel onvoorwaardelijk is.
  • Gelet op de aangenomen resolutie van het Europees Parlement (2018/0902R(NLE)), is niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon een eerlijke verzetprocedure zal krijgen. Daarnaast bestaat gelet op deze resolutie de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon Hongarije zal worden uitgezet vanwege zijn verblijfsstatus.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de afgegeven verzetgarantie volstaat onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 27 maart 2024. [4] Daarnaast stelt de officier van justitie zich met betrekking tot een mogelijke uitzetting naar Servië op het standpunt dat een eventuele uitzettingsmaatregel niet onder het toetsingskader van de overleveringsprocedure valt. De eventuele vreemdelingrechtelijke consequenties van overlevering maken daarmee geen deel uit van de beoordeling door de rechtbank. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 22 april 2025. [5]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
i. het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
“de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en

de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en

de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk 1 maand.”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. De rechtbank legt dat uit.
In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat Hongarije de opgeëiste persoon door het verstrekken van de verzetgarantie de kans geeft, het genoemde vonnis alsnog ter discussie te stellen. Het maakt in dat kader niet uit dat in het EAB is vermeld dat het vonnis onherroepelijk is.
De rechtbank merkt verder op dat het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, ziet op een vonnis van de
Budapest-Capital Regional Court. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om uit te gaan van een procedure in hoger beroep. Bovendien is het voldoende als de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in de procedure die heeft geleid tot het
uiteindelijkevonnis óf arrest kan uitoefenen. Als er sprake zou zijn van een hoger beroep, dan maakt dat dus niet dat de opgeëiste persoon óók in eerste aanleg zijn verdedigingsrechten moet hebben kunnen uitoefenen. Door de verzetgarantie krijgt de opgeëiste persoon de kans zijn verdedigingsrechten alsnog uit te oefenen. Voldoende is dat dit in één instantie is.
Daarnaast heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is. De vergelijking met Roemeense verzetgaranties gaat niet op, aangezien de rechtbank er ambtshalve mee bekend is dat op basis van het Roemeense recht de opgeëiste persoon in Roemenië aan bepaalde voorwaarden moet voldoen voordat hij daadwerkelijk verzet kan instellen. Bij Hongaarse verzetgaranties, zoals in deze zaak, is dat niet het geval.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat uit het EAB volgt dat de overlevering niet wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een uitzettingsmaatregel dan wel eventuele vreemdelingendetentie. De rechtbank hoeft en kan dan ook geen beslissing nemen over de overlevering ten behoeve daarvan. De rechtbank overweegt in onderdeel 5.1. van deze uitspraak dat geen algemeen gevaar is vastgesteld ten aanzien van het recht op een eerlijk proces in Hongarije en komt daarom niet toe aan de beoordeling van het verweer dat ziet op eventuele vreemdelingrechtelijke maatregelen zonder eerlijk proces die mogelijk aan de orde komen na overlevering aan Hongarije. Dat de opgeëiste persoon in Nederland een asielvergunning voor bepaalde tijd heeft, levert volgens vaste rechtspraak geen grond voor weigering van de overlevering op. [6]
Dit betekent dat het verweer niet slaagt. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding op verzoek van de raadsvrouw de behandeling van de zaak aan te houden.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW; Hongaarse rechtsstaat en detentieomstandigheden

5.1
Hongaarse rechtsstaat
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsrouw verzoekt om aanhouding van de zaak om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) omdat uit de aangenomen resolutie van het Europees Parlement (2018/0902R(NLE)) blijkt dat het recht op een eerlijk proces in Hongarije in gevaar is. De raadsvrouw stelt dat aan het Hof van Justitie moet worden voorgelegd of in een dergelijk geval nog wel van het vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien moet op basis van de resolutie een algemeen gevaar voor het recht op een eerlijk proces, in ieder geval voor migranten en asielzoekers, worden aangenomen.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van het stellen van prejudiciële vragen stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vraagstukken in deze zaak niet zien op de uitleg van het Unierecht. Het stellen van prejudiciële vragen is daarom niet aan de orde. De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de aangenomen resolutie van het Europees Parlement (2018/0902R(NLE)) onvoldoende is om een algemeen gevaar aan te nemen ten aanzien van het recht op een eerlijk proces in Hongarije. Uit onderdeel U) van deze resolutie blijkt namelijk dat de huidige problematiek niet wijdverspreid is. Uit onderdeel Z) en AA) blijkt dat ministers wel verbeteringen zien in de omstandigheden. Daarnaast zijn er geen voorbeelden bekend van zaken waarin onterechte veroordelingen hebben plaatsgevonden omdat er invloed zou zijn uitgeoefend op de rechterlijke macht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 17 oktober 2019 [7] , waarin zij heeft geoordeeld dat sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, maar dat deze gebreken de rechterlijke instanties in Hongarije niet dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47 Handvest in de kern wordt aangetast.
Hoewel de rechtbank de recente ontwikkelingen in Hongarije met betrekking tot de rechtsstaat zorgelijk acht (zoals weergegeven in alinea U van de resolutie van het Europees Parlement), is de rechtbank van oordeel dat de aangenomen resolutie onvoldoende concreet en nauwkeurig weergeeft wat precies de gevaren zijn voor het recht op een eerlijk proces, hoe omvangrijk die gevaren zijn, en hoe structureel die gevaren zijn. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen wat concreet de invloed is van de ontwikkelingen in Hongarije op het recht op een eerlijk proces. De resolutie is daarom onvoldoende om een algemeen reëel gevaar te kunnen aannemen dat het grondrecht van verdachten en veroordeelden op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.
Nu de rechtbank geen algemeen gevaar aanneemt, ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. De voorgestelde prejudiciële vragen berusten immers op de veronderstelling dat sprake is van een algemeen gevaar, zodat de beantwoording van deze vragen niet nodig is voor de afdoening van de zaak.
Het verweer slaagt niet.
5.2
Detentieomstandigheden
Inleiding
In een eerdere uitspraak van 7 januari 2025 [8] heeft de rechtbank op basis van het rapport van
the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment(hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting van Tiszalök, gelet op de ‘
ill-treatment’van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Op 26 november 2025 heeft
the Ministry of Justice of Hungaryde volgende garantie gegeven:
“Depending on the stage of the criminal proceeding, it still is impossible to predict with certainty the domestic penitentiary institution in which the surrendered detainee will first be admitted. Based on the information currently available - taking into account the European Arrest Warrant issued by the Metropolitan Court - the person in question is expected to be first placed in the Budapest Penitentiary Institution.
The current maximum capacity of the Budapest Capital Penitentiary Institution is 1,293 persons. The average size of the available prison cells for convicts to live in is 14.34 square meters, of which 4.77 square meters per person is available (excluding sanitary facilities). In multi-person placement, detainees are placed in cells with an average of 3 persons, while the largest cell is 39.3 square meters and is suitable for accommodating a maximum of 9 persons.
The transfer of the person in question to the Szombathely National Prison - based on a final and binding judgment imposing a penalty of imprisonment - will take place immediately. Specific data on the occupancy of the Szombathely National Prison - due to its continuously and dynamically changing nature - cannot be provided, but the current average occupancy of the penitentiary institution is 98%. The current maximum capacity of the above-referenced penitentiary institution is 1,476 persons. The average size of the available residential convict cells is 22.68 square meters, of which 4.54 square meters per person (excluding sanitary facilities) is available. In multi-person placement, detainees are placed in cells with an average of 5 persons, while the largest cell is 31 square meters and is suitable for accommodating a maximum of 7 persons.
If the surrender of detainee [opgeëiste persoon] takes place, his detention will be carried out continuously in the Szombathely National Prison within the shortest possible time.
In accordance with international and domestic laws, during the entire period of detention of [opgeëiste persoon] - in the temporary admitting penitentiary institution as well as in the Szombathely National Prison - a minimum of 3 square meters of living space (excluding sanitary facilities) will be ensured, irrespective of the occupancy rate of the institution.
Furthermore, it will be ensured that [opgeëiste persoon] is not placed in the Tiszalök National Prison during the period of his detention.(…)”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat uit het rapport van maart 2025 van de
Hungarian Helsinki Committee(HHC) en de aangenomen resolutie van het Europees Parlement (2018/0902R(NLE)) blijkt dat er een reëel gevaar is dat de opgeëiste persoon onderworpen wordt aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Hongaarse autoriteiten met betrekking tot het recente bezoek van het
European Committee for the Prevention of Torture and inhumane or Degrading Treatment or Punismhment(CPT) aan
Szombathely National Prison.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan omdat met de afgegeven detentiegarantie is uitgesloten dat de opgeëiste persoon in
Tiszalök National Prisonterecht zal komen.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de voorgaande garantie van 26 november 2025. [9] Uit de individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zo snel mogelijk vervoerd zal worden voor plaatsing in de
Szombathely National Prison. De Hongaarse autoriteiten hebben gegarandeerd dat hij niet in de
Tiszalök National Prisonzal worden geplaatst.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van
the Hungarian Helsinki Committee(HHC) de problemen in
Tiszalök National Prisonbevestigt, maar niet concreet ingaat op de
Szombathely National Prisonof
Budapast Penitentiary Institution. De hiervoor aangehaalde resolutie van het Europees Parlement bevat hier ook geen informatie over. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor gedetineerden in
Szombathely National Prison. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg.
Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de rapportage die volgens de raadsvrouw over het bezoek aan de Szombathely National Prison zal worden openbaar gemaakt. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een detentiegarantie is verstrekt en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Fóvarosi Törvényszék Büntetés-végrehajtasi Csoportja,Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.