Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 met kenmerk II K 246/23.
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
(…) I would like to inform you that no appeal has been filed against judgment II K 246/23; the judgment became final on March 1, 2024.”
11 december 2025 uitdrukkelijk hebben vermeld dat geen hoger beroep heeft plaatsgevonden. In het kader van het vertrouwensbeginsel dient te worden uitgegaan van deze verstrekte informatie. De verdediging heeft bovendien voldoende tijd gehad om hieromtrent stukken te overleggen.
mogelijk een strafrechtelijke procedure zou worden gestarten, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg.
5.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 betreft volgens de beschrijving in het EAB kortgezegd het niet betalen van kinderalimentatie. Dit levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie is gebracht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overweging onder 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. [5]
6.Artikel 11 OLW: Poolse rechtsstaat
7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 heeft de rechtbank onder 5 vastgesteld dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is. Zij ziet echter aanleiding om, ondanks het ontbreken van de dubbele strafbaarheid, de weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, OLW niet toe te passen en ook de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf over te nemen. Het feit heeft weliswaar met name aanknopingspunten met de Poolse rechtsorde want het is begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan en het betreft een verplichting die is opgelegd door een Poolse rechter. Daar staat tegenover dat er ook aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde, omdat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank acht het in het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden, nu vastgesteld is dat hij duurzaam verblijf heeft in Nederland. Een weigering van de overlevering op grond van artikel 7, eerste lid, OLW betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de hem opgelegde straf niet meer zou hoeven te ondergaan. Bij weigering van de overlevering op grond van artikel 7, eerste lid, OLW zou de opgeëiste persoon, zolang die vrijheidsstraf naar het recht van Polen voor tenuitvoerlegging vatbaar is, bij het gebruikmaken van zijn vrije verkeersrechten, rekening moeten houden met de mogelijkheid van overlevering ter tenuitvoerlegging van die straf vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging in Polen zouden de met de tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen.
CJvan het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 met kenmerk II K 246/23 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
CJvan het HvJ EU als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
8.Beslissing
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en onderliggende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
60 dagen(
eindigend op 19 maart 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
dus uiterlijk op 5 maart 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.