ECLI:NL:RBAMS:2025:10798

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
13/263101-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot de opgeëiste persoon en de toepassing van de Overleveringswet

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Regionale Rechtbank in Ostrołęka, Polen. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1990 in Polen, die wordt verdacht van het niet betalen van kinderalimentatie. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 16 december 2025 behandeld, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was met zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis van 22 februari 2024, en dat er geen garantie is verstrekt zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Desondanks heeft de rechtbank geoordeeld dat de overlevering niet geweigerd hoeft te worden, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en zijn adrescorrectheid niet heeft nageleefd. De rechtbank heeft ook overwogen dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat hij al geruime tijd rechtmatig in Nederland verblijft.

De rechtbank heeft besloten het onderzoek te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om het benodigde certificaat en een kopie van het vonnis op te vragen. De beslistermijn is verlengd met 60 dagen, eindigend op 19 maart 2026, en de rechtbank heeft bepaald dat de zaak uiterlijk op 5 maart 2026 opnieuw op zitting wordt gebracht. De uitspraak is openbaar gedaan door de rechters in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/263101-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 23 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2025 door
the 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 met kenmerk II K 246/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1
Inleiding
In aanvulling op de informatie in het EAB heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op
28 november 2025 aanvullende informatie verstrekt:
"The Regional Court in Ostrołęka, Criminal Division 11, with reference to your letter of 25.11.2025 in case ref. no. Il Kop 29/25 concerning [opgeëiste persoon] , son of Adam, born on [geboortedag] .1990, kindly informs you that [opgeëiste persoon] while being interviewed as a suspect was guided in a letter dated 07.03.2023 on his obligation to notify the authority conducting the proceedings on each change of his residence address or address of his stay lasting longer than 7 days, as well as if such change results from his being imprisoned in a different case. [opgeëiste persoon] has also been guided on his obligation to state his new address should he change his place of residence, otherwise a court letter sent to the previous address shall be deemed to have been duly delivered.[opgeëiste persoon] received summons for a hearing to his residence address in the Netherlands. The court letter returned to the Court as uncollected by the addressee, with the consequence (it was deemed to have been duly delivered) resulting from [opgeëiste persoon] 's failure to provide his new address."
Daarnaast is op 11 en 12 december 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:

(…) I would like to inform you that no appeal has been filed against judgment II K 246/23; the judgment became final on March 1, 2024.”
“(…) I would like to inform you that during [opgeëiste persoon] interview on March 7, 2023, he provided an address of residence: [BRP-adres] (Kingdom of the Netherlands), and a summons was sent to this address.”
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat aanvullend gevraagd moet worden over (het verloop van) het hoger beroep en verzoekt om aanhouding. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij hoger beroep heeft ingesteld. Zonder aanvullende stukken kan niet worden beoordeeld of zijn verdedigingsrechten zijn gewaarborgd.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Alle correspondentie, waaronder de oproep voor de zitting, is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. In de adresinstructie is de opgeëiste persoon bovendien gewezen op de consequentie van het niet naleven van de adresinstructie. Het niet ophalen van de oproep komt dan ook voor rekening van de opgeëiste persoon. Ten aanzien van een hoger beroep stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat, hoewel de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld, de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie van
11 december 2025 uitdrukkelijk hebben vermeld dat geen hoger beroep heeft plaatsgevonden. In het kader van het vertrouwensbeginsel dient te worden uitgegaan van deze verstrekte informatie. De verdediging heeft bovendien voldoende tijd gehad om hieromtrent stukken te overleggen.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om aanhouding teneinde aanvullende vragen te stellen over het verloop van een hoger beroepsprocedure af. Naar aanleiding van de verklaring van de opgeëiste persoon heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum gevraagd of tegen het in het EAB vermelde vonnis van 22 februari 2024 hoger beroep is ingesteld. Zoals uit de hierboven weergegeven informatie blijkt, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in reactie daarop laten weten dat geen hoger beroep is ingesteld en dat het vonnis op 1 maart 2024 definitief is geworden. De raadsman heeft geen concrete stukken overgelegd die aanleiding geven om aan de juistheid van de verstrekte informatie te twijfelen. De rechtbank zal daarom de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 22 februari 2024 toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de toelichting in onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 28 november 2025 en 12 december 2025 volgt dat de opgeëiste persoon, tijdens het vooronderzoek, als verdachte is verhoord en dat hij toen in een brief van 7 maart 2023 is gewezen op zijn verplichting om de autoriteiten op de hoogte te stellen van een adreswijziging. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en had er rekening mee moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou kunnen volgen. De opgeëiste persoon heeft toen tijdens dat verhoor het adres [BRP-adres] als adres opgegeven waarop hij bereikbaar was voor correspondentie. De oproeping voor de zitting is vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in Nederland verstuurd, maar is als niet afgehaald retour gekomen bij de rechtbank in Polen.
Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon had kunnen en moeten weten dat
mogelijk een strafrechtelijke procedure zou worden gestarten, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dus niet aan de overlevering in de weg.

5.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

5.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 7 OLW in verband met het ontbreken van de dubbele strafbaarheid.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW in verband met het weigeren van de overlevering en overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf op grond van artikel 6a OLW. [4]
5.3
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 betreft volgens de beschrijving in het EAB kortgezegd het niet betalen van kinderalimentatie. Dit levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie is gebracht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overweging onder 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. [5]
Het voorgaande betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet echter aanleiding om geen gebruik maken van haar bevoegdheid om op grond van het ontbreken van de dubbele strafbaarheid de overlevering te weigeren. In dit geval verdient het namelijk de voorkeur de overlevering op grond van artikel 6a OLW te weigeren met gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf. Op die manier wordt straffeloosheid voorkomen en wordt tevens het belang van sociale re-integratie van de opgeëiste persoon gewaarborgd. [6] Hieronder, en meer in het bijzonder in overweging 6.3, wordt dit nader toegelicht.

6.Artikel 11 OLW: Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

7.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander zodat de opgeëiste persoon de opgelegde straf in Nederland kan ondergaan. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit gelijkstellingsverweer verschillende stukken overgelegd, waaronder een huurovereenkomst, een arbeidsovereenkomst, een UWV verzekeringsbericht en belastingaanslagen over de jaren 2019 tot en met 2024. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting inzage verstrekt in zijn salarisbetalingen over onder meer de maanden januari en februari 2025.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aan de twee voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan. De opgeëiste persoon heeft met stukken aangetoond dat hij ten minste gedurende een periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Bovendien heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de brief van 15 december 2025 aangegeven dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen. De opgeëiste persoon kan dan ook gelijkgesteld worden met een Nederlander.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Hoewel de opgeëiste persoon pas sinds 8 juli 2021 (weer) ingeschreven staat in Nederland, blijkt uit de door de raadsman overgelegde stukken dat de opgeëiste persoon al sinds 2020 in Nederland woont en werkt. Uit de stukken blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon sindsdien aanzienlijk meer heeft verdiend dan de bijstandsnorm en daarvoor zoveel uur heeft gewerkt dat het niet anders kan dan dat hij onafgebroken in Nederland heeft verbleven om die werkzaamheden te kunnen verrichten. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij vóór juli 2021 huisvesting kreeg via het uitzendbureau waar hij voor werkte. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat werknemers van uitzendbureaus zich vaak niet kunnen inschrijven.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 15 december 2025 volgt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen. Hiermee is ook aan de tweede voorwaarde voldaan.
Strafovername
Nu aan de voorwaarden voor gelijkstelling is voldaan moet de rechtbank beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
Ten aanzien van het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 heeft de rechtbank onder 5 vastgesteld dat het niet betalen van kinderalimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is. Zij ziet echter aanleiding om, ondanks het ontbreken van de dubbele strafbaarheid, de weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, OLW niet toe te passen en ook de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf over te nemen. Het feit heeft weliswaar met name aanknopingspunten met de Poolse rechtsorde want het is begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan en het betreft een verplichting die is opgelegd door een Poolse rechter. Daar staat tegenover dat er ook aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde, omdat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank acht het in het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden, nu vastgesteld is dat hij duurzaam verblijf heeft in Nederland. Een weigering van de overlevering op grond van artikel 7, eerste lid, OLW betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de hem opgelegde straf niet meer zou hoeven te ondergaan. Bij weigering van de overlevering op grond van artikel 7, eerste lid, OLW zou de opgeëiste persoon, zolang die vrijheidsstraf naar het recht van Polen voor tenuitvoerlegging vatbaar is, bij het gebruikmaken van zijn vrije verkeersrechten, rekening moeten houden met de mogelijkheid van overlevering ter tenuitvoerlegging van die straf vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging in Polen zouden de met de tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen.
Het oordeel dat het ontbreken van dubbele strafbaarheid in dit geval in de weg zou kunnen staan aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en dus - gelet op artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, WETS - aan de tenuitvoerlegging van die straf in Nederland, zou de nagestreefde sociale re-integratie van de opgeëiste persoon eveneens kunnen doorkruisen.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, vierde en vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiaire banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
Het arrest CJ van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)
Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak CJ. [9] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen [10] volgt uit dat arrest – kort samengevat – dat voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest
CJvan het HvJ EU de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 22 februari 2024 met kenmerk II K 246/23 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
Verlenging van de beslistermijn
De op de zitting van 16 december 2025 verlengde beslistermijn verstrijkt op 18 januari 2026. In artikel 22, vierde lid, OLW is bepaald dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. De rechtbank ziet momenteel de nieuwe lijn zoals uiteengezet in het arrest
CJvan het HvJ EU als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en onderliggende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met
60 dagen(
eindigend op 19 maart 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn,
dus uiterlijk op 5 maart 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Met verwijzing naar Rb. Amsterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5395.
5.Rb. Amsterdam 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.
6.Rb. Amsterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5395, ro. 5.2.
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
10.Rb Amsterdam 30 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7371.