6.3.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn buurvrouw. Daarmee heeft verdachte de veiligheidsgevoelens van zijn buurvrouw aangetast, terwijl zij zich juist in haar woonomgeving veilig moeten kunnen voelen. Dit wordt onderstreept door de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] . Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een groot geldbedrag. Hiermee heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft hij gehandeld uit persoonlijk financieel gewin.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 2 mei 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke en andere misdrijven.
Rapporten
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 10 september 2025, opgemaakt door M.B.F. van Berkel, psychiater, en M. van der Burgh, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC). Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.
Door de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek hebben de rapporterend psychiater en psycholoog nauwelijks informatie verkregen over verdachte uit eigen gesprekken. Evenmin werd test- en neuropsychologisch en medisch onderzoek verricht. De psychiater en psycholoog haalden wel informatie uit de beschikbare stukken, het milieuonderzoek en de groepsobservatie. Verder werd kennis genomen van de opgevraagde politiemutaties.
Op basis van de dossierinformatie en justitiële voorgeschiedenis kan bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld en een stoornis in cannabisgebruik. Zowel de antisociale persoonlijkheidsstoornis als de stoornis in cannabisgebruik waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Het betreft echter classificaties op gedragsniveau, waarbij er geen zicht is gekomen op persoonlijkheidsfunctioneren van de afgelopen jaren, en op de ernst van het cannabisgebruik. Daarnaast blijven er in de diagnostiek, door de weigering van verdachte, belangrijke vragen onbeantwoord, zoals de aanwezigheid van eventueel aangeboren hersenletsel en/of neurobiologische ontwikkelingsproblematiek. Nu ook onduidelijk is gebleven of, en zo ja, welke aspecten van de psychopathologie een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het tenlastegelegde, is niet duidelijk waar een gedragskundige interventie zich op zou moeten richten. De deskundigen onthouden zich dan ook van een advies hieromtrent.
De rechtbank heeft ter terechtzitting deskundige M. van der Burgh gehoord. Zij heeft de conclusies van voornoemd rapport bevestigd.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van GGZ Inforsa Leiden van 14 november 2025, opgemaakt door [naam 3] . Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Op basis van het pro Justitia onderzoek is onduidelijk gebleven waar gedragsdeskundige interventie zich op zou moeten richten, én binnen welk juridisch kader dit zou moeten plaatsvinden. Duidelijk is dat er sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar welke aspecten een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde is onduidelijk. De inschatting van de reclassering is dat de kans op recidive heel hoog blijft wanneer de persoonlijkheidsproblematiek niet goed behandeld wordt. Een onvoorwaardelijke straf biedt de maatschappij veiligheid. Langdurige behandeling in een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau kan de maatschappij beveiligen én een bijdrage leveren aan gedragsverandering. De reclassering ziet momenteel geen mogelijkheid voor de uitvoerbaarheid van interventies om de recidivekans te verlagen. Een strikter kader lijkt nodig. Bijzondere voorwaarden blijken, gezien de houding van verdachte, niet uitvoerbaar. Gezien de eerdere ervaringen die de reclassering met verdachte heeft opgedaan kan gesteld worden dat het risico op onttrekking aan voorwaarden hoog is. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 29 augustus 2024, opgemaakt door [naam 4] . Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Verdachte is een veelpleger. Hij is eerder veroordeeld vanwege een veelvoud aan vermogens- en geweldsdelicten. Verdachte voldoet aan zowel de harde als de zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Hij heeft eenmaal eerder, van 2015 tot 2017, een ISD-maatregel doorlopen. Verdachte
is in 2017 gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De reclassering constateert dat veel van zijn (delict-) gedrag voortkomt uit deze problematiek die al langdurig aanwezig is en diepgeworteld aanwezig lijkt in zijn persoon. De antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte vergt langdurige behandeling om tot verbetering te komen. Een klinische behandeling tijdens de ISD-maatregel zou hiertoe een aanzet kunnen geven. Kijkend naar het dossier ziet de reclassering echter dat verdachte weinig bereidheid toont om zich open te stellen voor een dergelijke behandeling. Verdachte heeft geen inzicht in zijn problematiek en hij ervaart geen lijdensdruk. Een behandeling tijdens de eerdere ISD maatregel onderging hij lijdzaam, waarbij er geen sprake is geweest van contactgroei met therapeuten en gedragsverandering niet heeft plaatsgevonden. De inschatting van de reclassering is dat de kans op recidive heel hoog blijft wanneer deze persoonlijkheidsproblematiek niet goed behandeld wordt. Verdachte heeft weinig controle over zijn gedrag en er zijn nog toenemende risico's wanneer hij druk ervaart of wanneer hij onder invloed is van alcohol en/of drugs. Gezien de ernst van de problematiek en de zorgmijdende houding van verdachte, zien wij op dit moment geen mogelijkheden voor de inzet van reclasseringsinterventies om de kans op recidive te verlagen. Gezien de eerdere mislukte justitiële trajecten en de gebrekkige motivatie ten aanzien van gedragsverandering in het kader van een reclasseringstoezicht, ziet de reclassering geen alternatief voor een
geschikte sanctie dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Naar aanleiding van de twee hiervoor genoemde reclasseringsrapportages heeft de rechtbank aan deskundige [naam 3] schriftelijk de vraag gesteld waarom in het rapport van 14 november 2025 niet (langer) over de ISD-maatregel wordt gesproken, terwijl verdachte wel nog steeds lijkt te voldoen aan de harde en zachte criteria. Op 16 december 2025 heeft de rechtbank als reactie ontvangen dat het Openbaar Ministerie bij de aanvraag van het rapport geen opdracht heeft gegeven tot het onderzoeken van de ISD-maatregel. Daarnaast schrijft zij dat verdachte niet wenst mee te werken aan een klinische opname gericht op de gewenste gedragsverandering en een afname van de recidivekans. De reclassering vindt dat wel nodig. Een ISD-maatregel zou, indien zijn houding onveranderd blijft, alleen een langdurige kale detentie opleveren.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij nu wel gebruik zou maken van de hulp die de ISD-maatregel biedt en dat hij mee wil werken.
Artikel 38m lid 4 van het wetboek van strafrecht bepaalt dat de rechter de ISD-maatregel slechts oplegt, nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. De bepaling strekt ertoe dat het advies op recent onderzoek is gebaseerd (HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2743, rechtsoverweging 3.5). Als het advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter op grond van artikel 38m lid 4 Sr daarvan slechts gebruikmaken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Wanneer die instemming ontbreekt, is een nader advies vereist (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0518, rechtsoverweging 4.5). Uit het standpunt van de officier van justitie, die immers subsidiair heeft gerekwireerd tot oplegging van de ISD-maatregel, kan worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie instemt met het gebruik van het rapport van 29 augustus 2024. De verdachte en verdediging hebben zich niet uitgelaten over het al dan niet instemmen met het gebruik van dit advies, met dien verstande dat verdachte desgevraagd ter terechtzitting wel heeft aangegeven dat hij nu wel gebruik zou maken van de hulp die de ISD-maatregel biedt en dat hij mee wil werken. Los hiervan, ligt er naar het oordeel van de rechtbank ook een nader advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel, namelijk het reclasseringsrapport van 14 november 2025 in samenhang bezien met de antwoorden op vragen van de rechtbank van 16 december 2025. Hoewel de reclassering in deze stukken heeft aangegeven op dit moment niet de ISD-maatregel te adviseren, zijn de omstandigheden feitelijk onveranderd ten opzichte van het rapport van 29 augustus 2024. De reden dat de ISD-maatregel niet nogmaals wordt geadviseerd is veeleer te relateren aan het feit dat verdachte na de zaak waarop het advies van 29 augustus 2024 zag (de bedreiging van de buurvrouw) ervan verdacht werd opnieuw te zijn gerecidiveerd en een nog ernstiger feit te hebben gepleegd, namelijk de zware mishandeling op 21 juli 2024. De officier van justitie zag in dit nieuwe feit aanleiding om verdachte in het PBC te laten observeren met het oog op een mogelijke tbs maatregel. Verdachte wordt echter van dit feit vrijgesproken.
Uit alle rapportages blijkt dat een langdurige behandeling in een klinische setting voor verdachte noodzakelijk is. Het wordt niet mogelijk geacht om dit te bewerkstelligen door middel van bijzondere voorwaarden. De noodzaak tot klinische opname is op 16 november 2025 nogmaals bevestigd door de reclasseringswerker. In de rapportages wordt gemotiveerd waarom deze behandeling niet uitvoerbaar is binnen een meer vrijwillig kader. Op zitting heeft verdachte aangegeven bereid te zijn mee te werken aan de ISD-maatregel. De rechtbank concludeert dat de oplegging van de ISD-maatregel, mede gelet op dit nader advies, kan worden gebaseerd op de inhoud van het rapport van 29 augustus 2024.
De op te leggen maatregel
De maatregel van tbs met dwangverpleging is een zware en ingrijpende maatregel en dient als ultimum remedium. De rechtbank acht het opleggen van de tbs-maatregel, mede in het licht van de vrijspraak voor de zware mishandeling, in dit geval niet proportioneel.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportages en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van de in dit vonnis
bewezenverklaarde feiten. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel meer bestaat. De rechtbank overweegt op basis van de hiervoor genoemde rapporten, dat er geen reële alternatieven zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om deze maatregel niet op te leggen.
Maximale termijn van twee jaren
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.