ECLI:NL:RBAMS:2025:10707

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
13/284331-24 (zaak A), 13/170192-24 (zaak B) en 13/202739-23 (zaak C) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vrijspraak met enig misdrijf tegen het leven gericht en diefstal

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 31 december 2025 uitspraak gedaan in drie strafzaken tegen de verdachte, die zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland is. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van zware mishandeling (zaak A) en poging tot zware mishandeling, omdat de herkenningen door verbalisanten als onvoldoende betrouwbaar werden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat de stills van de camerabeelden niet voldoende duidelijke en onderscheidende kenmerken vertoonden om de verdachte als dader aan te wijzen. Er was geen aanvullend bewijs aanwezig om de betrokkenheid van de verdachte aan te tonen. In zaak B werd de verdachte wel veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, waarbij de rechtbank oordeelde dat de bedreigende uitingen een redelijke vrees voor geweld konden opwekken. In zaak C bekende de verdachte de diefstal van € 1.000,- van een hotel. De rechtbank legde de verdachte een ISD-maatregel op voor de duur van twee jaar, omdat er ernstige zorgen waren over de kans op recidive en de noodzaak voor behandeling van de antisociale persoonlijkheidsstoornis van de verdachte. De vordering van de benadeelde partij in zaak A werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verdachte van dat feit werd vrijgesproken.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/284331-24 (zaak A), 13/170192-24 (zaak B) en 13/202739-23 (zaak C) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 31 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [P.I.]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, die waarneemt voor mr. Z.L. Moezel, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [slachtoffer 1] , en van wat door [naam 1] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland, namens hem naar voren is gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het door mr. T. van Hoewijk, namens [slachtoffer 2] , uitgeoefende spreekrecht.
Voorts is M. van den Burgh, als GZ-psycholoog verbonden aan het Pieter Baan Centrum, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

zaak A

Aan verdachte is - kort samengevat - primair tenlastegelegd dat hij zich op 21 juli 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling.
zaak B
Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich op 22 mei 2024 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [slachtoffer 2] .
zaak C
Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich op 29 januari 2023 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van € 1000,-, toebehorende aan het [naam hotel] Hotel.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van zaak A heeft zij hiertoe aangevoerd dat verdachte door meerdere verbalisanten holistisch is herkend en dat de camerabeelden van goede kwaliteit zijn. Deze herkenningen zijn betrouwbaar en kunnen dus worden gebruikt voor het bewijs. Daarnaast wordt de man die het glas in het gezicht van de aangever heeft geslagen [naam 2] genoemd, en dit is de bijnaam van verdachte. Tot slot is de telefoon van verdachte rondom het tijdstip van het tenlastegelegde feit in de directe omgeving van het café gelokaliseerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het in zaak A en zaak B tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Ten aanzien van zaak A heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dit feit ontkent en dat het bewijs met name is gebaseerd op de herkenning van verdachte van stills door drie verbalisanten, terwijl die herkenningen onbetrouwbaar zijn. De stills op basis waarvan de verbalisanten denken verdachte te herkennen zijn van onvoldoende kwaliteit en sommige kenmerken die zij noemen zijn niet op de stills te zien (“ronde vorm van het hoofd”, “specifieke loopje”). Andere kenmerken die zij noemen kloppen niet met die van verdachte (“rond gezicht”, “mollig postuur”) of zijn voor mannen van Marokkaanse afkomst nauwelijks onderscheidend. Daarnaast zijn de herkenningen mede geleid doordat in de informatieverstrekking bij de stills stond vermeld dat de dader de bijnaam ‘ [naam 2] ’ heeft en in elk geval twee van de verbalisanten op de hoogte waren dat [naam 2] de bijnaam van verdachte is. De herkenningen kunnen dan ook geen basis vormen voor een bewezenverklaring, waardoor verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de woorden van verdachte beledigend waren, maar dat er geen sprake was van een strafbare bedreiging.
De raadsman heeft ten aanzien van zaak C geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak zaak A
[slachtoffer 1] (hierna: aangever) heeft aangifte gedaan van zware mishandeling op 21 juli 2024 in ‘ [naam bar] ’. Er zijn camerabeelden beschikbaar van de mishandeling. Verdachte is op stills van de camerabeelden van 21 juli 2024 door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] herkend als degene die aangever zou hebben mishandeld. De herkenning van verdachte door deze drie verbalisanten wordt echter betwist door de raadsman en verdachte ontkent enige betrokkenheid.
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het tenlastegelegde feit kunnen aantonen, zoals in deze zaak het geval is.
De rechtbank merkt allereerst op dat de verbalisanten in het door hen opgemaakte proces-verbaal vermelden dat de gebruikte stills als bijlage zijn toegevoegd. Deze stills zijn echter niet aan de processen-verbaal toegevoegd. Ook noemen de verbalisanten alle drie een ander aantal foto’s dat bij de aandachtsvestiging zou zijn verstrekt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het over vijf foto’s, [verbalisant 2] heeft het over 3 stills en [verbalisant 3] noemt één foto. Daarnaast vermeldt [verbalisant 2] dat de aandachtsvestiging videobeelden zou bevatten, maar verwijst hij vervolgens naar drie stills waarbij hij aangeeft verdachte op één daarvan te herkennen. In het dossier zitten vanaf pagina 89 (digitaal) vijf “foto’s” en drie “stills” die - gezien wat zij noemen in hun processen-verbaal - vermoedelijk horen bij de herkenningen door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , maar zeker is dat niet.
Ondanks de onduidelijkheid over op welke foto’s / stills de verbalisanten hun herkenningen hebben gebaseerd, heeft de rechtbank wel gekeken naar de kwaliteit van de foto’s die in het dossier aanwezig zijn. De rechtbank is van oordeel dat op de stills onvoldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende kenmerken zichtbaar zijn van de persoon die door de verbalisanten is herkend als verdachte. Op de stills is immers het gezicht nooit volledig in beeld en de stills zijn bovendien niet scherp. Daarnaast heeft verbalisant [verbalisant 2] aangegeven verdachte te herkennen aan zijn manier van lopen, terwijl hij verbaliseert verdachte te herkennen op basis van still 1. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de beschrijvingen in de processen-verbaal niet, althans niet duidelijk dat de herkenningen van de verbalisanten ook hebben plaatsgevonden op basis van de videobeelden. De rechtbank vindt de herkenningen van de verbalisanten daarom onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen gebruiken.
Nu in het dossier geen aanvullend bewijs aanwezig is op grond waarvan verdachte als dader kan worden aangemerkt, wordt verdachte vrijgesproken. Het enkele feit dat verdachte de bijnaam [naam 2] heeft dan wel dat zijn telefoon in de directe nabijheid van het café is gelokaliseerd, is onvoldoende om zijn betrokkenheid aan te tonen, temeer daar verdachte in de naaste omgeving van het café woont. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het feit dat er in de aandachtsvestiging kennelijk is aangegeven dat de persoon op de beelden de bijnaam [naam 2] heeft ook juist leidend kan zijn geweest bij de herkenning.
4.3.2.
Ten aanzien van zaak B
De rechtbank is, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, van oordeel dat de bedreiging wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De rechtbank verwerpt het verweer dat aangeefster alleen zou zijn beledigd en dat er geen sprake is van een strafrechtelijke bedreiging. Voor een bewezenverklaring van bedreiging is vereist dat de bedreigende uitingen in het algemeen een redelijke vrees voor geweld kunnen opwekken (zie Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake, gelet op de context waarin de uitlating is gedaan. Uit de aangifte blijkt dat aangeefster verdachte eerder het volgende heeft horen roepen: “
Lopen snel! Wat heb je nodig, pakje dingen wat je nodig heb. Pak die Glock, alle wapens eruit, alle wapen eruit, tempo tempo”.Naar het oordeel van de rechtbank is de strekking van de bedreiging en de context waarin de bedreiging werd gedaan van dien aard dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.
4.3.3.
Ten aanzien van zaak C
Aangezien verdachte dit feit heeft bekend ter terechtzitting en door de raadsman geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring van dit feit op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 december 2025;
een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2023024401-2 van 31 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 5-8 (dig.).
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.3. en in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak B
op 22 mei 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen "En ik zie je wel achter die deur staan he, kankerhoer. Maar ik pak je nog wel he, let maar op kanker schijnheilige kankerteef";
ten aanzien van zaak C
op 29 januari 2023 te Amsterdam, een geldbedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), die aan het [naam hotel] Hotel te Amsterdam toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie dat aan verdachte de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd. Subsidiair, wanneer de rechtbank niet toe zou komen aan oplegging van tbs met dwangverpleging, verzoekt de officier van justitie dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders (ISD-maatregel) wordt opgelegd.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij bewezenverklaring aan verdachte een straf conform voorarrest moet worden opgelegd. Subsidiair heeft hij verzocht om bij bewezenverklaring van alle feiten aan verdachte geen tbs met dwangverpleging maar een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn buurvrouw. Daarmee heeft verdachte de veiligheidsgevoelens van zijn buurvrouw aangetast, terwijl zij zich juist in haar woonomgeving veilig moeten kunnen voelen. Dit wordt onderstreept door de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] . Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een groot geldbedrag. Hiermee heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft hij gehandeld uit persoonlijk financieel gewin.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 2 mei 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke en andere misdrijven.
Rapporten
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 10 september 2025, opgemaakt door M.B.F. van Berkel, psychiater, en M. van der Burgh, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC). Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in.
Door de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek hebben de rapporterend psychiater en psycholoog nauwelijks informatie verkregen over verdachte uit eigen gesprekken. Evenmin werd test- en neuropsychologisch en medisch onderzoek verricht. De psychiater en psycholoog haalden wel informatie uit de beschikbare stukken, het milieuonderzoek en de groepsobservatie. Verder werd kennis genomen van de opgevraagde politiemutaties.
Op basis van de dossierinformatie en justitiële voorgeschiedenis kan bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld en een stoornis in cannabisgebruik. Zowel de antisociale persoonlijkheidsstoornis als de stoornis in cannabisgebruik waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Het betreft echter classificaties op gedragsniveau, waarbij er geen zicht is gekomen op persoonlijkheidsfunctioneren van de afgelopen jaren, en op de ernst van het cannabisgebruik. Daarnaast blijven er in de diagnostiek, door de weigering van verdachte, belangrijke vragen onbeantwoord, zoals de aanwezigheid van eventueel aangeboren hersenletsel en/of neurobiologische ontwikkelingsproblematiek. Nu ook onduidelijk is gebleven of, en zo ja, welke aspecten van de psychopathologie een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het tenlastegelegde, is niet duidelijk waar een gedragskundige interventie zich op zou moeten richten. De deskundigen onthouden zich dan ook van een advies hieromtrent.
De rechtbank heeft ter terechtzitting deskundige M. van der Burgh gehoord. Zij heeft de conclusies van voornoemd rapport bevestigd.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van GGZ Inforsa Leiden van 14 november 2025, opgemaakt door [naam 3] . Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Op basis van het pro Justitia onderzoek is onduidelijk gebleven waar gedragsdeskundige interventie zich op zou moeten richten, én binnen welk juridisch kader dit zou moeten plaatsvinden. Duidelijk is dat er sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar welke aspecten een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde is onduidelijk. De inschatting van de reclassering is dat de kans op recidive heel hoog blijft wanneer de persoonlijkheidsproblematiek niet goed behandeld wordt. Een onvoorwaardelijke straf biedt de maatschappij veiligheid. Langdurige behandeling in een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau kan de maatschappij beveiligen én een bijdrage leveren aan gedragsverandering. De reclassering ziet momenteel geen mogelijkheid voor de uitvoerbaarheid van interventies om de recidivekans te verlagen. Een strikter kader lijkt nodig. Bijzondere voorwaarden blijken, gezien de houding van verdachte, niet uitvoerbaar. Gezien de eerdere ervaringen die de reclassering met verdachte heeft opgedaan kan gesteld worden dat het risico op onttrekking aan voorwaarden hoog is. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 29 augustus 2024, opgemaakt door [naam 4] . Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Verdachte is een veelpleger. Hij is eerder veroordeeld vanwege een veelvoud aan vermogens- en geweldsdelicten. Verdachte voldoet aan zowel de harde als de zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Hij heeft eenmaal eerder, van 2015 tot 2017, een ISD-maatregel doorlopen. Verdachte
is in 2017 gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De reclassering constateert dat veel van zijn (delict-) gedrag voortkomt uit deze problematiek die al langdurig aanwezig is en diepgeworteld aanwezig lijkt in zijn persoon. De antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte vergt langdurige behandeling om tot verbetering te komen. Een klinische behandeling tijdens de ISD-maatregel zou hiertoe een aanzet kunnen geven. Kijkend naar het dossier ziet de reclassering echter dat verdachte weinig bereidheid toont om zich open te stellen voor een dergelijke behandeling. Verdachte heeft geen inzicht in zijn problematiek en hij ervaart geen lijdensdruk. Een behandeling tijdens de eerdere ISD maatregel onderging hij lijdzaam, waarbij er geen sprake is geweest van contactgroei met therapeuten en gedragsverandering niet heeft plaatsgevonden. De inschatting van de reclassering is dat de kans op recidive heel hoog blijft wanneer deze persoonlijkheidsproblematiek niet goed behandeld wordt. Verdachte heeft weinig controle over zijn gedrag en er zijn nog toenemende risico's wanneer hij druk ervaart of wanneer hij onder invloed is van alcohol en/of drugs. Gezien de ernst van de problematiek en de zorgmijdende houding van verdachte, zien wij op dit moment geen mogelijkheden voor de inzet van reclasseringsinterventies om de kans op recidive te verlagen. Gezien de eerdere mislukte justitiële trajecten en de gebrekkige motivatie ten aanzien van gedragsverandering in het kader van een reclasseringstoezicht, ziet de reclassering geen alternatief voor een
geschikte sanctie dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Naar aanleiding van de twee hiervoor genoemde reclasseringsrapportages heeft de rechtbank aan deskundige [naam 3] schriftelijk de vraag gesteld waarom in het rapport van 14 november 2025 niet (langer) over de ISD-maatregel wordt gesproken, terwijl verdachte wel nog steeds lijkt te voldoen aan de harde en zachte criteria. Op 16 december 2025 heeft de rechtbank als reactie ontvangen dat het Openbaar Ministerie bij de aanvraag van het rapport geen opdracht heeft gegeven tot het onderzoeken van de ISD-maatregel. Daarnaast schrijft zij dat verdachte niet wenst mee te werken aan een klinische opname gericht op de gewenste gedragsverandering en een afname van de recidivekans. De reclassering vindt dat wel nodig. Een ISD-maatregel zou, indien zijn houding onveranderd blijft, alleen een langdurige kale detentie opleveren.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij nu wel gebruik zou maken van de hulp die de ISD-maatregel biedt en dat hij mee wil werken.
Artikel 38m lid 4 Sr
Artikel 38m lid 4 van het wetboek van strafrecht bepaalt dat de rechter de ISD-maatregel slechts oplegt, nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. De bepaling strekt ertoe dat het advies op recent onderzoek is gebaseerd (HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2743, rechtsoverweging 3.5). Als het advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter op grond van artikel 38m lid 4 Sr daarvan slechts gebruikmaken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Wanneer die instemming ontbreekt, is een nader advies vereist (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0518, rechtsoverweging 4.5).
Uit het standpunt van de officier van justitie, die immers subsidiair heeft gerekwireerd tot oplegging van de ISD-maatregel, kan worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie instemt met het gebruik van het rapport van 29 augustus 2024. De verdachte en verdediging hebben zich niet uitgelaten over het al dan niet instemmen met het gebruik van dit advies, met dien verstande dat verdachte desgevraagd ter terechtzitting wel heeft aangegeven dat hij nu wel gebruik zou maken van de hulp die de ISD-maatregel biedt en dat hij mee wil werken. Los hiervan, ligt er naar het oordeel van de rechtbank ook een nader advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel, namelijk het reclasseringsrapport van 14 november 2025 in samenhang bezien met de antwoorden op vragen van de rechtbank van 16 december 2025. Hoewel de reclassering in deze stukken heeft aangegeven op dit moment niet de ISD-maatregel te adviseren, zijn de omstandigheden feitelijk onveranderd ten opzichte van het rapport van 29 augustus 2024. De reden dat de ISD-maatregel niet nogmaals wordt geadviseerd is veeleer te relateren aan het feit dat verdachte na de zaak waarop het advies van 29 augustus 2024 zag (de bedreiging van de buurvrouw) ervan verdacht werd opnieuw te zijn gerecidiveerd en een nog ernstiger feit te hebben gepleegd, namelijk de zware mishandeling op 21 juli 2024. De officier van justitie zag in dit nieuwe feit aanleiding om verdachte in het PBC te laten observeren met het oog op een mogelijke tbs maatregel. Verdachte wordt echter van dit feit vrijgesproken.
Uit alle rapportages blijkt dat een langdurige behandeling in een klinische setting voor verdachte noodzakelijk is. Het wordt niet mogelijk geacht om dit te bewerkstelligen door middel van bijzondere voorwaarden. De noodzaak tot klinische opname is op 16 november 2025 nogmaals bevestigd door de reclasseringswerker. In de rapportages wordt gemotiveerd waarom deze behandeling niet uitvoerbaar is binnen een meer vrijwillig kader. Op zitting heeft verdachte aangegeven bereid te zijn mee te werken aan de ISD-maatregel. De rechtbank concludeert dat de oplegging van de ISD-maatregel, mede gelet op dit nader advies, kan worden gebaseerd op de inhoud van het rapport van 29 augustus 2024.
De op te leggen maatregel
De maatregel van tbs met dwangverpleging is een zware en ingrijpende maatregel en dient als ultimum remedium. De rechtbank acht het opleggen van de tbs-maatregel, mede in het licht van de vrijspraak voor de zware mishandeling, in dit geval niet proportioneel.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportages en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van de in dit vonnis
bewezenverklaarde feiten. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel meer bestaat. De rechtbank overweegt op basis van de hiervoor genoemde rapporten, dat er geen reële alternatieven zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om deze maatregel niet op te leggen.
Maximale termijn van twee jaren
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen, om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en zodat de recidive van de verdachte wordt ingeperkt ter optimale bescherming van de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B en zaak C tenlastegelegde heeft begaan zoals
hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak B:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van zaak C:
diefstal.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte]daarvoor strafbaar.
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van twee jaar.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,
mrs. J. Thomas en B.C. Langendoen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2025.
[....]