Eiser, geboren in 1955, heeft beroep ingesteld tegen de hoogte van zijn AOW-pensioen vanwege een gewijzigde opbouwperiode als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd. Hij stelt dat hij door de verschuiving van de aanvangsleeftijd minder pensioen heeft opgebouwd, ondanks dat hij premies heeft betaald in de niet-meetellende periode. Tevens wijst hij op zijn moeilijke financiële situatie en mantelzorgtaken.
De rechtbank verwijst naar eerdere rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin is vastgesteld dat het betalen van AOW-premies geen recht op pensioen oplevert vanwege het omslagstelsel. De verhoging van de AOW-leeftijd en de daarmee samenhangende verschuiving van de opbouwperiode is geoorloofd en proportioneel.
Verweerder heeft onderzocht of eiser een onevenredig zware last draagt in de periode van het AOW-gat (tussen 65 en 66 jaar en 7 maanden). Gezien het gezamenlijke inkomen boven het sociaal minimum en het ontbreken van financiële gegevens van eiser, concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een onevenredige last. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit te onderbouwen.
De rechtbank wijst erop dat eiser nog een herzieningsverzoek kan indienen indien hij bewijzen aanlevert over zijn werk als zeevarende in de periode 1980-1991, die mogelijk niet is meegenomen in de pensioenopbouw. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.