ECLI:NL:CRVB:2021:2306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging pensioenopbouw AOW aanvangsleeftijd en recht op eerlijk proces
Appellant maakte bezwaar tegen het pensioenoverzicht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin de aanvangsleeftijd van zijn AOW-pensioenopbouw werd vastgesteld op 17 jaar en drie maanden, terwijl hij stelde dat deze op 15-jarige leeftijd was begonnen. De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanaf zijn 15e jaar premies had betaald en dat hem onterecht verzekerde tijdvakken werden ontnomen. Tevens klaagde hij over het gebruik van een mobiele telefoon door de Svb tijdens de zitting, wat volgens hem het recht op een eerlijk proces schond. De Raad oordeelde dat de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd in het pensioenoverzicht een informatieve mededeling is zonder rechtsgevolg en dat de aanvangsleeftijd conform artikel 7a van de AOW correct was vastgesteld.
De Raad stelde vast dat het AOW-stelsel een omslagstelsel is waarbij betaalde premies geen aanspraak op ouderdomspensioen creëren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat appellant zich niet kon vergelijken met defensiepersoneel dat een vergoeding kreeg voor het AOW-gat. Ook werd het beroep op het recht op een eerlijk proces verworpen omdat geen fundamentele procedurevoorschriften waren geschonden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.