De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 juli 2022 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Lublin, Polen. Het EAB betreft een gevangenisstraf van 2 jaar en 6 maanden wegens diefstal met geweld in vereniging, waarvan nog ruim een jaar rest.
De verdediging voerde een genoegzaamheidsverweer aan, stellende dat het EAB onvoldoende duidelijkheid verschaft over de rol van de verdachte en de strafuitzetting. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende informatie bevat over het strafbare feit, de betrokkenheid van de verdachte als mededader en de strafoplegging, en verwierp het verweer.
Hoewel de rechtbank erkent dat er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen bedreigen, concludeerde zij dat de verdachte geen concrete aanwijzingen heeft geleverd dat deze gebreken zijn zaak beïnvloeden. Daarom is geen individueel reëel gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld.
Gelet op de naleving van de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.