Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlasteleggingen
[benadeelde partij 4] en/of [benadeelde partij 5] en/of [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 1] en/of
[benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 7] in de periode van 1 december 2018 tot en met 16 juni 2021;
3.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
- [benadeelde partij 4] aangifte heeft gedaan op 12 januari 2019 en op 11 oktober 2021 de klacht is gedaan;
- [benadeelde partij 2] aangifte heeft gedaan op 7 januari 2021 en op 14 april 2021 de klacht is gedaan;
- [benadeelde partij 3] aangifte heeft gedaan op 5 januari 2021 en op 21 april 2021 de klacht is gedaan.
nietwerd gesauveerd door de Hoge Raad. [4] Immers heeft [benadeelde partij 4] in 2019 aangifte gedaan en vrij snel erna is de zaak geseponeerd. Het onderzoek Masapalid is pas in 2021 gestart na drie afzonderlijk later van elkaar gedane aangiftes door anderen, welke aangiftes grote gelijkenissen bleken te hebben met die van [benadeelde partij 4] . De rechtbank betrekt bij haar oordeel mede de jonge leeftijd en daarmee samenhangende kwetsbaarheid van
, ten tijde van het plegen van onderhavig feit, die werd versterkt door haar geloof in de Islam. De kwetsbaarheid van [benadeelde partij 4] blijkt des te meer uit het gegeven dat zij zich gedwongen heeft gevoeld de bruidsschatten van haar familie af te staan. De rechtbank betrekt hierbij ook de bijzonder precaire aard van het delict, waarbij juist de schaamte-gevoelens van het slachtoffer maken dat zij hier moeilijk over kan praten, vooral vanwege haar islamitische achtergrond en traditionele opvoeding. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van [benadeelde partij 4] leidend is, zeker nu een klacht (in de meeste gevallen) slechts wordt ingediend op instigatie van de politie.
4.Waardering van het bewijs
primairestandpunten ingenomen.
subsidiairop het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van medeplegen, zodat verdachte daarvoor partieel dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer personen en hoe die samenwerking er precies uit zou hebben gezien.
primairop het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. De telefoongesprekken die verdachte vanuit de penitentiaire inrichting heeft gevoerd zijn opgenomen. Daardoor is sprake van een inbreuk op de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De officier van justitie heeft immers door het opvragen van deze opnamen welbewust geprofiteerd van het feit dat de telefoongesprekken waren opgenomen, terwijl in de door de raadsman aangehaalde rechtspraak [5] is vastgesteld dat het structureel opnemen van telefoongesprekken vanuit de penitentiaire inrichting onrechtmatig is. Omdat het proces-verbaal van de uitwerking van het telefoongesprek hieruit voortvloeit, dient dit proces-verbaal te worden uitgesloten van het bewijs.
[benadeelde partij 4] heeft verdachte op een door de politie getoonde SKDB-foto herkend als zijnde [gebruikersnaam 1] . [8]
4 november 2020 via WhatsApp contact op met de vader van [benadeelde partij 6] via het telefoonnummer [telefoonnummer 6] . [13] [benadeelde partij 6] maakte op verzoek van [gebruikersnaam 1] geld over naar de rekeningnummers [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 4] . [14]
22 december 2020 in Amsterdam en omschrijft [gebruikersnaam 1] / [gebruikersnaam 2] als een Marokkaans uitziende man, tussen de twintig en vijfentwintig jaar oud en tussen de 1.80 en 1.85 meter lang. [gebruikersnaam 1] / [gebruikersnaam 2] had kort stijl zwart haar, dat hij naar één kant had gekamd. Zijn telefoonnummer was [telefoonnummer 10] . [20] [benadeelde partij 3] heeft verdachte op door de politie aan haar getoonde foto’s herkend als [gebruikersnaam 1] / [gebruikersnaam 2] . [21]
16 december 2018 en 11 januari 2019 in totaal 47 telefonische contactmomenten hebben gehad. [23] Bovendien is uit informatie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer het volgende naar voren gekomen. Verdachte heeft in de periode van 11 december 2018 tot en met 5 januari 2019 een zilverkleurige personenauto van het merk Chrysler, type Neon en voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] op zijn naam gehad. Dit voertuig is op 5 januari 2019 afgevoerd naar de sloop en sindsdien had verdachte een blauwe Renault Vel Satis voorzien van het kenteken [kentekennummer 2] op zijn naam. [24]
- het telefoonnummer [telefoonnummer 11] tussen 6 januari 2021 en 10 januari 2021; en
- het telefoonnummer [telefoonnummer 5] tussen 22 januari 2021 en 12 februari 2021.
- het telefoonnummer [telefoonnummer 11] tussen 28 december 2020 en 12 februari 2021;
- het telefoonnummer [telefoonnummer 5] tussen 12 februari 2021 en 19 maart 2021.
€ 800,- voor ontvangen. Op 5 januari 2019 heeft verdachte gouden sieraden ingeleverd bij [winkel 2] in Schiedam. Hiervoor heeft hij € 252,- ontvangen. Ook op 7 januari 2019 heeft verdachte gouden sieraden ingeleverd, ditmaal bij [winkel 3] in Rotterdam. Hiervoor heeft verdachte € 790,- ontvangen. [49]
[benadeelde partij 3] hoorde [benadeelde partij 1] toen dat zij precies hetzelfde heeft meegemaakt met dezelfde persoon en dat [benadeelde partij 3] aangifte had gedaan. [56]
Billah als je het niet regelt ga je zienJij en je familie zijn dan doodNiemand gaat je kunnen helpen”. [58] [benadeelde partij 2]
Ongeveer een week later stuurde een vriendin van [benadeelde partij 2] , genaamd [naam 7] , via Snapchat een bericht naar haar dat er een meisje op de school van [benadeelde partij 2] , genaamd [benadeelde partij 1] , om haar gebruikersnaam op Snapchat vroeg. [benadeelde partij 2] vond het goed dat [benadeelde partij 1] haar Snapchat kreeg. [benadeelde partij 2] heeft uiteindelijk nooit de Snapchat van [benadeelde partij 1] gekregen, maar wel die van verdachte. In een bericht van verdachte stond dat [benadeelde partij 2] exposed ging worden en dat haar video’s op Telegram zouden worden gegooid en dat hij haar zou helpen, omdat hij hier ervaring mee had. [benadeelde partij 2] moest wel geld gaan betalen.
De volgende dag heeft [benadeelde partij 2] met verdachte afgesproken in Amsterdam. Verdachte vertelde dat hij [benadeelde partij 2] ging helpen en haar zou beschermen. Omdat [benadeelde partij 2] honger had, kwam een vriend van verdachte, genaamd [naam 8] , eten naar hen brengen. Eenmaal thuis bleef [benadeelde partij 2] in contact met verdachte. Verdachte kwam dan terug op het geld en vertelde [benadeelde partij 2] dat zij geld moest regelen. Zij moest (nog steeds) geld betalen zodat haar foto’s en video’s niet openbaar gemaakt zouden worden. [benadeelde partij 2] zei dat zij niets had en moest van verdachte dan thuis nog eens goed kijken. Verdachte vertelde ook dat er een meisje op de school van [benadeelde partij 2] zou zijn die gegevens had van haar en deze zou willen verspreiden. Dit zou zij doen om [benadeelde partij 2] neer te halen. [benadeelde partij 2] moest van verdachte naar haar huis gaan. Zij zou via haar brievenbus geld en haar bankpas geven aan [benadeelde partij 2] . Deze bankpas stond op naam van [benadeelde partij 1] . [benadeelde partij 2] moest naar de ING gaan om geld te storten op de rekening van [benadeelde partij 1] . Verdachte vertelde [benadeelde partij 2] ook dat hij geld zou storten op een exposed account, zodat haar foto’s en video’s niet verder zouden worden verspreid. Verdachte had aan [benadeelde partij 2] gevraagd de bankpas aan [benadeelde partij 1] terug te geven, maar [benadeelde partij 2] wist niet meer waar [benadeelde partij 1] woonde.
[benadeelde partij 3] het Snapchataccount [gebruikersnaam 17] door. Zij (de rechtbank begrijpt: de gebruiker van dit snapchataccount) zou [benadeelde partij 3] kunnen helpen en vertelde haar dat zij geld moest betalen, zodat het filmpje niet zou worden geplaatst op Telegram. [gebruikersnaam 17] zou bij verdachte controleren hoe hoog het bedrag moest zijn.
Op 23 december 2020 hebben [naam 10] en [naam 11] en verdachte afgesproken bij het Centraal Station om die € 1.200,- te betalen. Verdachte heeft toen [benadeelde partij 3] gebeld en gezegd dat iemand zijn excuses wilde aanbieden. [benadeelde partij 3] hoorde toen [naam 10] zeggen dat hij zijn excuses aanbood voor wat er was gebeurd, maar dat hij niet achter de afpersing zat. [benadeelde partij 2] heeft [benadeelde partij 3] op 24 december 2020 ook een bankpas op naam van [benadeelde partij 1] gegeven. [benadeelde partij 3] zou de bankpas bij zich moeten houden. [63]
15 juni 2021 dat iemand hem € 500,- had betaald om [benadeelde partij 7] te exposen. [benadeelde partij 7] moest daarom meer dan € 500,- betalen om te voorkomen dat zij weer werd geexposed. De beheerder zei dat zij veel geld op haar rekening had staan en noemde, volgens [benadeelde partij 7] , ook het exacte bedrag en dat zij een jongeren-rekening of spaarrekening had. [benadeelde partij 7] was daarom bang dat haar telefoon was gehackt. Ook stuurde de beheerder haar een foto van haar met een gouden jurk aan.
heeft ontmoet en van haar hoorde dat zij ruzie had met haar ouders. [benadeelde partij 4] had aan verdachte gevraagd of hij goud voor haar wilde verkopen, omdat zij dit zelf vanwege haar leeftijd, zij was destijds nog geen achttien jaar, niet kon. [benadeelde partij 4] heeft verdachte daarom een armband en een ketting gegeven, die verdachte heeft verkocht in Schiedam. Hij heeft [benadeelde partij 4] vervolgens het geld gegeven. [benadeelde partij 4] heeft na een tijdje gevraagd of verdachte nog meer goud voor haar zou willen verkopen, maar dit heeft hij toen niet gedaan. [67]
De rechtbank spreekt verdachte ook vrij voor de afpersing van het geldbedrag van € 471,-, omdat dit geldbedrag niet is overgemaakt na dreiging van het openbaar maken van een geheim of een dreiging met geweld. Dit geld is overgemaakt na de mededeling dat [naam 5] door deze betaling uit de gevangenis kon en is daarom niet te kwalificeren als afpersing.
Hiervoor is vastgesteld dat verdachte zich ten koste van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (en overigens een aanzienlijk aantal andere slachtoffers) op de aldaar bewezenverklaarde wijze heeft bevoordeeld door afpersing en bedreiging. Daarmee staat vast dat gebruik is gemaakt van meer dwangmiddelen, te weten dwang, een andere feitelijkheid, dreiging met een andere feitelijkheid, dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie. Verdachte was zich bewust van haar kwetsbaarheid. Sterker nog: hij zette zijn kennis over de achtergrond van [benadeelde partij 2] , haar geloof en het belang van naam en eer van haar familie actief in.
Alle voordelen waren voor verdachte, er was geen enkel voordeel voor [benadeelde partij 2] . Zij werd ingezet als instrument in het door verdachte ontwikkelde en in stand gehouden criminele verdienmodel.
in de periode van 1 juli 2020 tot en met 21 april 2021 te Amsterdam [benadeelde partij 2] , geboren op 1 april 2004 door dwang en een andere feitelijkheid en dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en door afpersing en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten en telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 2] , waarbij dat geweld of andere feitelijkheden hebben bestaan uit het:
5.De strafbaarheid van de feiten
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf en maatregel
8.Beslag
9.Vorderingen benadeelde partij
primair€ 70.371,- € 1.500,-
subsidiair€ 19.499,11
[benadeelde partij 5] € 574,54 € 2.500,-
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag moet worden afgewezen, omdat uit het dossier onvoldoende aanknopingspunten volgen dat dit bedrag daadwerkelijk is afgestaan.
Vast staat dat [benadeelde partij 3] door het bewezenverklaarde € 1.200,- aan materiële schade is toegebracht. De vordering zal dan ook voor dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank verklaart het overig gevorderde niet-ontvankelijk, omdat de beoordeling van het restant van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat de kosten voor babykleding door benadeelde partij [benadeelde partij 7] zijn gemaakt, maar dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan van de bewezenverklaring. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering daarom af.
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte]daarvoor strafbaar.
5 (vijf) jaren.
maatregeldat de verdachte zich voor de duur van
5 (vijf) jarendient te onthouden van ieder direct of indirect contact met [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 7] .
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan.
dadelijk uitvoerbaaris.
€ 1.500,- immateriële schade.
[benadeelde partij 4] van een bedrag van € 3.342, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 januari 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor
43 dagengijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
[benadeelde partij 5] van een bedrag van € 3.074,54 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 november 2019) tot aan de dag van de algehele. Bij gebreke van betaling en verhaal kan hiervoor
40 dagengijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
186 dagengijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
30 dagengijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
35 dagengijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
33 dagengijzeling worden opgelegd. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.