ECLI:NL:RBAMS:2022:4057
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvraag Verklaring omtrent Gedrag voor taxichauffeur wegens zedendelict niet disproportioneel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) voor de functie van taxichauffeur. De minister voor Rechtsbescherming weigerde de VOG vanwege een eerdere veroordeling van eiser voor een zedendelict, gepleegd in de uitoefening van zijn functie.
De rechtbank oordeelt dat het objectieve criterium is vervuld, aangezien het zedendelict een belemmering vormt voor de functie. Het geschil betreft het subjectieve criterium: of de minister de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Eiser betoogt dat het recidiverisico beperkt is, het tijdsverloop voldoende en dat zijn persoonlijke belangen onvoldoende zijn meegewogen.
De rechtbank stelt vast dat de minister terecht het verscherpte toetsingskader toepast en dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is. De aard van het delict, het beperkte tijdsverloop en het feit dat het delict tijdens de functie werd gepleegd, rechtvaardigen de weigering. De rechtbank wijst erop dat de weigering voor de functie taxichauffeur niet uitsluit dat eiser voor andere functies in aanmerking kan komen.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de VOG. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de VOG voor de functie van taxichauffeur.