ECLI:NL:RVS:2020:2991
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor chauffeurskaart wegens zedendelict
Appellant vroeg op 1 mei 2018 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan om een chauffeurskaart te verkrijgen voor het werk als taxichauffeur. De minister weigerde de aanvraag op 1 augustus 2018 op grond van artikel 35 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, omdat appellant was gedagvaard wegens seksueel misbruik van kinderen. Later bleek dat appellant op 31 december 2018 veroordeeld was voor medeplegen van verkrachting, waarvoor een taakstraf en jeugddetentie waren opgelegd.
De minister hanteerde de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 en het screeningsprofiel 'Taxibranche; chauffeurskaart', waarin het risico op zedendelicten wordt erkend vanwege de tijdelijke afhankelijkheidsrelatie tussen chauffeur en passagier. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde dit in hoger beroep.
Appellant voerde aan dat het objectieve criterium niet juist was toegepast en dat de belangenafweging onvoldoende zorgvuldig was, mede vanwege het tijdsverloop, de lichte straf en zijn positieve ontwikkeling. De Afdeling oordeelde dat het objectieve criterium terecht was toegepast en dat de minister een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt, waarbij het belang van de samenleving zwaarder woog dan dat van appellant. De weigering van de VOG was niet evident disproportioneel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag voor het verkrijgen van een chauffeurskaart is afgewezen wegens een eerdere veroordeling voor een zedendelict.