ECLI:NL:RVS:2014:1804
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag na zedendelict voor functie verzorgende
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de staatssecretaris om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) af te geven voor de functie van verzorgende, vanwege een eerdere veroordeling voor ontucht met een wilsonbekwame. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat het objectieve criterium voor weigering van de VOG is voldaan, omdat het zedendelict, indien herhaald, een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie. De Afdeling heeft tevens het subjectieve criterium beoordeeld en geoordeeld dat de weigering niet evident disproportioneel is, mede gelet op de ernst van het delict, het beperkte tijdsverloop, en het risico voor de samenleving.
Appellant voerde aan dat het risico op herhaling laag is en dat de terugkijktermijn arbitrair is, maar deze argumenten werden verworpen. Ook werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op privacy), artikel 13 EVRM Pro (recht op effectief rechtsmiddel) en artikel 19 Grondwet Pro (vrije beroepskeuze) niet gegrond verklaard.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG vanwege het zedendelict en acht deze niet evident disproportioneel.