ECLI:NL:RBAMS:2020:2176

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
7 april 2020
Zaaknummer
13/751454-19 (EAB III)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en dubbele strafbaarheid

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 26 maart 2020 uitspraak gedaan in het kader van een vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW) die was ingediend door de officier van justitie. De vordering betreft de behandeling van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat op 8 december 2016 door de Franse autoriteiten is uitgevaardigd. De opgeëiste persoon, geboren in Frankrijk, is gedetineerd in Nederland en heeft afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op verschillende zittingen behandeld, waarbij de identiteit van de opgeëiste persoon is vastgesteld en de bevoegdheid van de Franse justitiële autoriteit is beoordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Franse officier van justitie voldoet aan de vereisten om als een uitvaardigende rechterlijke autoriteit te worden aangemerkt.

De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Frankrijk onderzocht en vastgesteld dat er een reëel gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling in bepaalde detentie-instellingen. Echter, op basis van recente communicatie van de Franse autoriteiten is bevestigd dat de opgeëiste persoon niet in deze instellingen zal worden geplaatst, waardoor het gevaar op schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is weggenomen.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat er geen weigeringsgronden zijn die aan de overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft daarom de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Franse autoriteiten toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751454-19 (EAB III)
RK nummer: 19/3407
Datum uitspraak: 26 maart 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 december 2016 door de
Procureur de la Republique pres le Tribunal de Grande Instance de Lille(Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] alias [alias opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag 1] 1985, dan wel op [geboortedag 2] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [plaats detentie] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 25 juli 2019
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 juli 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.
De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van – kort gezegd – nader onderzoek naar de bevoegdheid van de Franse officier van justitie tot het uitvaardigen van een EAB.
Zitting 12 maart 2020
Met instemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 25 juli 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de raadsman van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De rechtbank stelt vast dat volgens het EAB de opgeëiste persoon [alias opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag 2] 1989 in [geboorteplaats] , Frankrijk is en volgens de vordering van de officier van justitie de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] is, geboren op [geboortedag 1] 1985 in [geboorteplaats] , Frankrijk en het alias van [alias opgeëiste persoon] gebruikt. Bij zijn aanhouding heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij gebruik maakt van beide personalia. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis (op tegenspraak te betekenen) van de Strafrechtbank te Lille van 5 oktober 2012, parketnummer 11335000048.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 11 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1095) waarin zij heeft geoordeeld dat de Franse officier van justitie (de
Procureur de la Republique) voldoet aan de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt en bevoegd is tot het uitvaardigen van een executie-EAB.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

5.1.
Inhoud van de stukken
Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:
Vermelden of betrokkene persoonlijk op het proces is verschenen dat geleid heeft tot de uitspraak:
(…)
2. [X] Nee, betrokkene is niet persoonlijk verschenen op het proces waarbij uitspraak is gedaan.
3. Indien u het vakje van punt 2 heeft aangekruist, gelieve te bevestigen of:
3.1
a [X] betrokkene persoonlijk is opgeroepen op 21/06/2012 en dus op de hoogte is gebracht van de vastgestelde datum en plaats van het proces dat geleid heeft tot de uitspraak, en of hij op de hoogte is gebracht dat er uitspraak gedaan kon worden ingeval van niet-verschijnen
(…)
5.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt – met de raadsman en de officier van justitie – vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, maar dat – kort gezegd – sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Dat betekent dat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing is.

6.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
6.1.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd voor zover het EAB betrekking heeft op het veroorzaken van een verkeersongeval “waarbij een derde lichtgewond is geraakt”, omdat de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid ontbreekt. Dit feit is naar Nederlands recht niet strafbaar gesteld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit de feitomschrijving blijkt immers dat niet kan worden gesproken over zwaar lichamelijk letsel, dan wel dodelijk letsel.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet slaagt. Weliswaar volgt de rechtbank het standpunt van de raadsman dat dit feit niet kan worden gekwalificeerd als artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar dat is niet de toets die moet worden aangelegd. Voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid is relevant of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, overeenstemmen met de omschrijving van het strafbare feit naar Nederlands recht (de Nederlandse strafbepaling). De rechtbank moet nagaan of de feitelijke elementen, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van Nederland, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk zouden kunnen worden bestraft (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza), ten aanzien van artikel 7, derde lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ).
Aldus moet de feitomschrijving onder enige Nederlandse strafbepaling vallen. Niet is vereist dat de feitomschrijving onder een Nederlandse strafbepaling valt die identiek is aan de strafbepaling waaronder het feit – of de feiten – naar het recht van de uitvaardigende lidstaat valt – of vallen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  • overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
  • overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
  • overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

7.Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft, gelet op haar uitspraken van 30 mei 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:3763) en 17 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6648), – kort gezegd – geoordeeld dat indien de opgeëiste persoon in geval van overlevering aan Frankrijk in de detentie-instelling Nîmes zal worden geplaatst, er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
Vervolgens heeft de rechtbank in haar uitspraak van 21 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1102) geoordeeld dat ten aanzien van de detentie-instelling(en) in Fresnes in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die daar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld.
Daarnaast heeft de rechtbank in haar uitspraak van 31 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:655) geoordeeld dat op dit moment geen algemeen gevaar bestaat dat personen die in de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar dat – gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing – nadere gegevens van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden.
Op verzoek van de officier van justitie heeft de
Service de l’Exécution des Peinesbij e-mail van 23 juli 2019 onder meer het volgende meegedeeld:
I can confirm that [alias opgeëiste persoon] will not be incarcerated in Nîmes and Bordeaux-Gradignan.
Verder heeft de
Service de l’Exécution des Peinesbij e-mail van 10 maart 2020 meegedeeld dat:
In addition to our earlier correspondence with regard to 5 EAW’s concerning [alias opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon] with ref.08000026651, 1134800037, 11335000048, 12269000293 and 07000103318, we can guarantee officially to the authorities that [alias opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon] will not be incarcerated in Fresnes if the Court of Amsterdam authorizes the surrender to our authorities.
Aldus is de rechtbank van oordeel dat het gevaar op schending van artikel 4 van het Handvest voor de opgeëiste persoon is weggenomen.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 5, 7, 30, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon] alias [alias opgeëiste persoon]aan de
Procureur de la Republique pres le Tribunal de Grande Instance de Lille(Frankrijk).
Aldus gedaan door
mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2020.
De jongste rechter is buiten staat
deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.