De rechtbank Amsterdam heeft op 5 februari 2019 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een verdachte aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Szekszárd District Court. De verdachte, geboren in 1968 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van een strafbaar feit dat in Nederland valt onder diefstal door twee of meer verenigde personen.
Tijdens de openbare zitting op 22 januari 2019 werd de identiteit van de verdachte bevestigd en zijn onschuldverweer verworpen omdat hij dit niet aannemelijk kon maken. De rechtbank heeft ook onderzocht of de detentieomstandigheden in Hongarije een belemmering vormen voor overlevering, maar vond geen bewijs dat de verdachte een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen Szombathely of Tiszalök.
De verdediging voerde aan dat de verdachte behoort tot de Roma-bevolking en daardoor risico loopt op discriminatie, dat hij medische zorg nodig heeft vanwege een herseninfarct, en dat de mensenrechtensituatie in Hongarije slecht is. Deze bezwaren werden door de rechtbank niet voldoende onderbouwd en verworpen. De officier van justitie stelde dat deze omstandigheden geen reden zijn om de overlevering te weigeren.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.