Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
Het bestreden besluit betreft de handhaving van een zuiver schadebesluit betreffende schade die door eiseres beweerdelijk is geleden in de uitoefening van haar dienstbetrekking. De rechtbank stelt vast dat op 1 juli 2013 het gedeelte schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013,50) in werking is getreden (Stb. 2013,162). Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (art. 8:88-8:95 van de Awb) bevat een regeling voor een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadeverzoeken wegens onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. Ingevolge artikel IV Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten blijft het voor 1 juli 2013 geldende recht van toepassing als de schadeveroorzakende gebeurtenis vóór 1 juli 2013 heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat eiseres gelet op (de datum van) de periode waarin zij werkzaam was bij [naam werkgever] , geen zelfstandige verzoekschriftprocedure als bedoeld in Titel 8.4 van de Awb aanhangig kan maken, maar zich dient te wenden tot verweerder voor een verzoek om een zuiver schadebesluit te nemen. Daar is in dit geval aan voldaan.
objectiefbezien buitensporige werkomstandigheden waarvan verweerder zich op dat moment (en dus vóórdat eiseres een suïcidepoging had gedaan) bewust kon zijn.
voor een ieder objectiefbuitensporige werkomstandigheden zou opleveren. De rechtbank vindt dat niet het geval. Eiseres heeft immers jarenlang bij verweerder gewerkt onder dezelfde omstandigheden, waarbij rekening werd gehouden met haar wens om niet ingedeeld te worden met de bewuste collega’s. Eiseres heeft om haar moverende redenen niet algemeen bekendgemaakt wat er precies bij het [naam voormalig werkgever] was gebeurd, en verweerder heeft altijd rekening met haar wens gehouden om niet met deze collega’s geconfronteerd te worden en - voor zover dat een keer gebeurde - heeft verweerder daar meteen actie op ondernomen. Niet gesteld of gebleken is overigens dat eiseres nog andere feiten dan haar eigen ervaringen aan haar standpunt dat sprake was van objectief bezien buitensporige werkomstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.