Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2018 in de zaak tussen
[eiser 1] ,
[opvolger],
Procesverloop
“Ik vind het een vreemd document. (…) Ik heb geen idee waarvoor zo’n document is opgemaakt. Kijken[d] naar de inhoud en de lay-out, lijkt dit geen product van onze bank.”
“Het doel van de controleopdracht is dat de accountant met een redelijke mate van zekerheid zegt dat de jaarrekening geen materiele afwijkingen bevat. De accountant geeft geen absolute zekerheid dat de jaarrekening goed is, omdat de gemaakte schattingen in de jaarrekening vaak subjectief zijn, er sprake kan zijn van niet ontdekte fraudes en omdat het economisch niet verantwoord is om alle individuele transacties te onderzoeken.”Tot slot maakt de gestelde omstandigheid dat in 2006, na een verricht onderzoek door het Bureau, aan Inner Hotel wel horecavergunningen zijn verleend, op zichzelf niet dat er niet opnieuw onderzoek naar de financiering van Inner Hotel mocht worden verricht. Temeer niet nu een groot deel van de bovenstaande informatie in 2006 nog niet bij het Bureau of bij verweerder bekend was. Gelet daarop en omdat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aannemelijk is dat [eiser 1] en [eiser 2] bij de financiering van Inner Hotel de strafbare feiten witwassen en valsheid in geschrifte hebben gepleegd, is de verlening van de horecavergunningen aan Inner Hotel in 2006 niet relevant. Hetgeen eisers ten aanzien van Inner Hotel naar voren hebben gebracht leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit uitsluitend voor zover het namens [eiser 3] en [eiser 4] ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het namens [eiser 3] en [eiser 4] ingediende bezwaar ontvankelijk en ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2018.