ECLI:NL:RVS:2015:331
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- D.J.C. van den Broek
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering horecavergunning wegens schending onschuldpresumptie
Het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert weigerde op 24 april 2012 een horecavergunning aan [appellante] voor Maison Hélène te verlenen, vanwege een ernstig vermoeden van betrokkenheid bij strafbare feiten, waaronder overtreding van de Opiumwet en witwassen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar en beroep ongegrond, waarna [appellante] hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college en de rechtbank de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, EVRM, hadden geschonden door te oordelen dat [appellante] schuldig was voordat een strafrechterlijk definitief oordeel was gegeven.
De Afdeling overwoog uitgebreid de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder het arrest Hrdalo tegen Kroatië, en stelde vast dat de bestuursrechtelijke procedure nauw verbonden was met de strafrechtelijke procedure, waardoor de onschuldpresumptie ook in de bestuursrechtelijke procedure van toepassing was.
Hoewel de Afdeling het besluit tot weigering vernietigde wegens schending van de onschuldpresumptie, liet zij de rechtsgevolgen van het besluit in stand, gelet op het feit dat [appellante] in hoger beroep onherroepelijk was veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan [appellante].
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de horecavergunning wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.