Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering
3.Het arrest in de strafzaak
4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.De verplichting tot betaling
aanstondsduidelijk is dat de betrokkene op dat moment en naar redelijkerwijs mag worden verwacht in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben (vgl. Hoge Raad 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747, NJ 2007/195).
6.Toepasselijke wettelijke voorschriften
7.Beslissing
€ 2.191.086,48.
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 2.191.086,48(tweemiljoen honderdéénennegentigduizend zesentachtig euro en achtenveertig cent) aan de Staat.