ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2521
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag onroerende-zaakbelasting voor kamers in verzorgingshuis
De zaak betreft een beroep tegen de aanslag onroerende-zaakbelasting opgelegd aan een verzorgingshuis, waarbij eiseres stelt recht te hebben op vermindering van de aanslag op grond van artikel 220f, achtste lid, Gemeentewet. Het geschil draait om de vraag of de afzonderlijke kamers in het verzorgingshuis als woning dienen of niet.
De rechtbank stelt vast dat het verzorgingshuis als geheel terecht als niet-woning is aangemerkt, maar dat de kamers afzonderlijk wel in hoofdzaak dienen tot woning of woondoeleinden. Dit volgt uit het feit dat de kamers beschikken over een douche, toilet en een keuken zonder kooktoestel, maar met een warmhoudplaatje, en dat bewoners er permanent verblijven. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat 'in hoofdzaak' betekent ten minste zeventig procent, en concludeert dat 57,4% van de waarde van het verzorgingshuis aan de kamers kan worden toegerekend.
Gelet hierop wordt de aanslag verminderd met het percentage van de waarde van de kamers, wat neerkomt op een vermindering van € 4.292,60. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres en wordt het betaalde griffierecht vergoed. De uitspraak is gedaan op 19 mei 2008 door de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht.
Uitkomst: De aanslag onroerende-zaakbelasting wordt verminderd met 57,4% van de waarde van het verzorgingshuis, zijnde € 4.292,60.