ECLI:NL:PHR:2013:170
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woningfunctie en gebruikersbelasting bij verzorgings- en verpleeghuizen
In deze zaak staat centraal de vraag of delen van verzorgings- en verpleeghuizen als woning dienen of dienstbaar zijn aan woondoeleinden in de zin van artikel 220e Gemeentewet, met gevolgen voor de heffingsgrondslag van de gebruikersbelasting.
Belanghebbende gebruikt meerdere onroerende zaken als groepswoningen voor mensen met dementie of lichamelijke beperkingen. De bewoners beschikken over eigen kamers met sanitair, terwijl gemeenschappelijke ruimten zoals woonkamers, keukens en hobbykamers gedeeld worden. De heffingsambtenaar stelde aanslagen gebruikersbelasting vast op basis van de volledige WOZ-waarde, terwijl belanghebbende betoogde dat delen van de panden als woning moeten worden aangemerkt en dus buiten de heffingsgrondslag moeten blijven.
De rechtbank oordeelde dat de verzorgingsfunctie de woonfunctie overheerste, waardoor geen vrijstelling van toepassing was. Het hof vernietigde dit oordeel en stelde dat de woonfunctie van de eigen kamers en gemeenschappelijke ruimten voorop staat, en dat de zorgfunctie ondergeschikt is. De advocaat-generaal concludeert dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven over het begrip wonen, maar dat de zaak moet worden verwezen voor nadere feitelijke beoordeling van de mate waarin de woonfunctie overheerst.
De conclusie bevat tevens een uitgebreide gemeenschappelijke bijlage met maatstaven voor de beoordeling van het woningbegrip en de toepassing van artikel 220e Gemeentewet, waarbij wordt benadrukt dat de onroerende zaak ontleed moet worden in delen en dat de 70%-toets kwantitatief moet worden toegepast. Ook wordt gewezen op jurisprudentie die onder meer stelt dat zelfstandigheid van een woonruimte niet vereist is en dat de aanwezigheid van zorg geen uitsluiting van de woonfunctie betekent.
Uitkomst: De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en verwijzing voor nadere feitelijke beoordeling van de woningfunctie van delen van de onroerende zaken.